U bent hier

Fons blogt...

Het debat over de zware beroepen vliegt alle kanten uit maar levert vooral een onrustwekkend beeld op van een ‘zware beroepen’-economie. Niet alleen zijn er meer en meer knelpuntberoepen maar elke week wordt het geclaimd lijstje van zware beroepen langer.

Ik begrijp heel goed dat door de wijze waarop we onze arbeid en productiviteit hebben georganiseerd – in combinatie met verhoogde druk uit andere levenssferen - dat een deel van de werkende bevolking het vandaag objectief moeilijk heeft om langer met goesting te werken. Maar die vaststelling mag geen reden zijn om nu een onomkeerbare beleidsbeslissing inzake vervroegde pensionering omwille van de zwaarte van een beroep te nemen voor de eeuwigheid. Het moet integendeel juist de reden zijn om een onomkeerbaar beleid van duurzame maar ontspannen loopbanen vorm te geven, om een echt loopbaanbeleid uit te bouwen. Dat beleid moet toelaten dat zo veel mogelijk mensen op maat en met goesting langer kunnen en willen werken. Laat ons niet de ‘fout’ die we met het brugpensioen hebben gemaakt, nu opnieuw maken door een maatregel in plaats van een tijdelijke een onbeperkte werkingsduur te geven. Dat ontneemt de verantwoordelijkheid van alle actoren om echt te investeren in werkbaar werk voor iedereen, een leuke loopbaan lang.

Zo zouden de sociale partners best ambitieuze en bindende afspraken maken over vormings- en opleidingsinspanningen, loopbaanbegeleiding en welzijn op het werk. Bedrijven zelf dienen te investeren in het innoveren van hun arbeidsorganisatie, de verhoging van autonome handelingsruimtes voor medewerkers, het terugdringen van onwelzijn op het werk en de organisatie van regelmatige loopbaangesprekken. De overheid zou het paradigma van de loopbaanzekerheid moeten vertalen in eigentijdse ondersteunende maatregelen zoals een echte loopbaanrekening, een transitioneel arbeidsmarktbeleid, een flankerend beleid inzake levenslang leren en een aangepast arbeidsrecht.

Maar ook nieuwe technologieën laten toe om het werk te verlichten. Robotpakken en exoskeletten zorgen ervoor dat mensen minder hinder ondervinden van het tillen van zware lasten; cobotisering biedt mensen de kans om echte meerwaarde te leveren naast de machines; AI-toepassingen kunnen geestdodende arbeid vervangen; digitale zorgsystemen kunnen de werkdruk van verpleegkundigen en zorgkundigen verminderen… De technologische mogelijkheden zijn legio.

Laat ons daarom eerst en vooral werk maken van lichtere loopbanen!

Tiens, vandaag vier ik 10 jaar bloggen voor HR Square, 10 jaar ‘Quoi Leroy?’ ...

Het cijfer 10 speelde geregeld een rol in mijn blogs. Zo had ik het over de ‘10 geboden van het HR beleid’ in HR Square van juli 2009.

Ik som ze hier nog even op :

  1. Bovenal gebruik de competentietaal
  2. Zoek niet ijdel, kies een Waal
  3. Heilig steeds het belang van levenslang leren
  4. Ook de 55+ ers zult ge eren
  5. Dood geen maar gebruik diversiteit
  6. Doe niets wat vrouwen mijdt
  7. Vlucht de grijze-pakken-dans
  8. Geef ook oud-medewerkers een kans
  9. Wees open, gebruik alle kanalen
  10. Begeer nooit de chef zijn kwalen

En dan waren er de 10 fictieve Suske en Wiske albums, telkens met een allitererende titel verwijzend naar een arbeidsmarktthema , gebundeld in een column ‘De knagende knelpunten’ (HR Square februari 2011) :

  1. De gretige grijsaard
  2. De omgeschoolde ornitholoog
  3. De Waalse weldoener
  4. Het bedreven bedrijf
  5. De competente collega
  6. De lenige leerder
  7. Het gewapend gewest
  8. De activerende aanpak
  9. De witte werver
  10. De Krimson crisis

Of meer recent in HR Square van november 2017 over ‘10 HR kemels die werkgevers beter vermijden’ :

  1. Werf jezelf
  2. Publiceer vacatures direct extern
  3. Stel duidelijke en vaste functieprofielen op
  4. Zorg voor verjonging
  5. Leren is voor op school, niet voor op het werk
  6. Verkies diploma’s boven competenties
  7. Waarden en menselijke relaties zijn voor buiten de werk(m)uren
  8. Buiten is buiten
  9. Medewerkers moeten zich aanpassen, niet het bedrijf
  10. De chef heeft altijd gelijk

Het zal jullie niet verbazen dat volgende kernbegrippen steeds in mijn blogs opduiken : diversiteit, levenslang leren, competentiemanagement, innovatieve arbeidsorganisatie, loopbaandenken, ...

Hoe quoteren jullie je organisatie van 1 tot 10 op deze thema’s? Een 10?! Speel dan de Bolero van Ravel maar af!

Fons Leroy
Gedelegeerd Bestuurder
VDAB

Duizenden jongeren ontvingen de voorbije dagen hun diploma, getuigschrift of certificaat secundair onderwijs en kunnen na het verdiend verlof nu nadenken over hun toekomst. Misschien kunnen deze Rode Duivels-tips daarbij van nut zijn!


Blijven leren is de boodschap! Hoe hoger het diploma, hoe beter de kansen op werk. En ook al kies je direct voor een job, ook daar zal je moeten blijven bijleren. Dat zegt Romelu Lukaku ook. Hij is een wereldspits maar toch wil hij nog steeds bijleren en zich perfectioneren.

Je hebt talent en als je dit blijft ontwikkelen dwing je een plaats op de arbeidsmarkt af. Enkel als je niet in jezelf gelooft, blijf je op de bank zitten. Grijp dus elke kans om van die bank te komen zoals de ‘bankzitters’ van de Rode Duivels deden in de WK-match België-Engeland.

Michy Batshuayi wil in de match tegen Engeland het doelpunt van Januzaj vieren en schiet uit ‘vreugde’ maar de bal belandt tegen zijn eigen gezicht. En hij beseft natuurlijk heel goed dat dit op Twitter veel besproken zou worden. Dus nam hij het initiatief  op twitter om zichzelf sympathiek in de kijker te zetten. Batshuayi kent dus de kracht van sociale media en beheerst de digi-taal, In de digitale samenleving van morgen is kennis van de digi-taal als nieuwe moedertaal een ‘must’.

De Rode Duivels spelen overal ter wereld: Italië, Engeland, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Canada en zelfs China. Die buitenlandse ervaring maakt hen sterker. Doe zoals hen en volg een stage of een cursus in het buitenland via Erasmus+ of AFS… Het zal je loopbaan ten goede komen.

De Rode Duivels gingen de Header Bin challenge aan. Elke speler kopt de bal naar de volgende speler en de laatste speler kopt de bal in een ‘bin’/’vuilnisbak’. Los dat ze dus al 20 jaar voetballen, het hun beroep is, er veel druk is van de pers en supporters, toch is dit wat ze graag doen. Dit spelletje geeft hen plezier, ‘fun’, … Zorg dus altijd zoals de Rode Duivels dat je iets doet dat je graag doet, iets waarvan je goesting krijgt, dat je passioneert…

Van jongs af aan was ik aangetrokken door de zee en de eerst één week, later twee weken vakantie in Wenduine waren het hoogtepunt van het jaar in mijn kindertijd. Mijn vader leerde mij in zee te zwemmen en sindsdien wilde ik eigenlijk alleen nog maar in de zee zwemmen. Zwembaden waren en zijn een verschrikking. Maar door in de zee te zwemmen, zwom ik voorbij aan de rijke wereld onder water. Die ontdekte ik pas op latere leeftijd door intensief te beginnen snorkelen. De voorbije paasvakantie was ik dan ook niet weg te slaan van de koraalriffen in de Rode Zee, voor snorkelaars en duikers één van de onderwaterparadijzen van deze wereld. Ik zwom er tussen de keizersvissen, fluitvissen, koraalduivels, groene trekkervissen, sergeant majoors, wimpelvissen, gele koraal vlinders, pauwoogvissen, koraalklimmers, steenvissen, papegaaivissen, tweeband anemoonvissen, clownvissen, zeebaarzen, lipvissen, vleermuisvissen, e.v.a.

Een immens grote diversiteit aan minuscule, kleine, middelgrote en grote vissen, gestreepten, eenkleurige, veelkleurige, vissen met diverse motiefjes, kort- en langsnoetigen, solozwemmers en groepszwemmers, kwastvinnigen en straalvinnigen (alleen de ‘legendarische’ dugong kon ik niet spotten)… Het is maar door me onder het wateroppervlak te bewegen dat ik deze (kleur)rijke diversiteit van onderwaterbewoners heb kunnen ontdekken…

Geldt dit ook niet voor de arbeidsmarkt? Blijven we als recruteerders, HR, werkgevers niet te veel en te lang de ‘bovenkant’ van de arbeidsmarkt afspeuren op zoek naar talent? Met het lokaas van diploma’s, vaste functieomschrijvingen en omlijnde taakafbakeningen en een rits formele aanwervingsvereisten…

Zouden we niet beter eens dieper in de arbeidsmarktzee duiken om te ontdekken welke verborgen talenten er rondzwemmen… Zonder een lokaas maar enkel met de nieuwsgierigheid van de talentsnorkelaar om talenten en competenties op te sporen… Ik ga zelf nog regelmatig spreken en dialogeren met jonge werkzoekenden met een migratie- of vluchtelingenafkomst, werkzoekende 55+ers, langdurig werkzoekenden die in een traject bij VDAB of een partnerorganisatie zitten. Telkens is de vaststelling dat hier heel wat talent schuilt maar dat door de visprocedures aan de ‘bovenkant’ van de arbeidsmarkt nooit aan de hengel zal worden geslagen. Doodjammer! Zo krijgt men de indruk dat onze arbeidsmarkt een Dode Zee is… terwijl een duikje of snorkeltochtje in de diepte ons zal doen beseffen dat de arbeidsmarkt ook een Rode Zee is.

Tegen 2030 zal 2/3de van alle jobs ‘soft-skills-intensieve beroepen’ zijn, volgens het ‘Soft skills for business success’-rapport van Deloitte. Soft skills en persoonlijke eigenschappen zijn net zo belangrijk voor succes als technische vaardigheden. De ideale werknemer van de toekomst is flexibel, proactief en probleemoplossend. Hij of zij is informatie-vaardig en heeft de nodige IT-skills. De waarde van deze vaardigheden zal de waarde van diploma’s steeds meer evenaren of zelfs overstijgen.

Technologisering, robotisering, globalisering en demografische trends zullen onze economie en onze arbeidsmarkt in sterke mate impacteren. Jobs en functies zullen veranderen en verdwijnen en nieuwe jobs en functies zullen verschijnen. We kunnen ons dus maar best voorbereiden op deze VUCA-wereld (Volatile, Uncertain, Complex en Ambiguous) en nagaan hoe we de juiste complementariteit tussen mens en technologie kunnen realiseren zodat beiden parallel kunnen evolueren. Daartoe moeten we de mens uitrusten met de 21ste eeuwse vaardigheden, namelijk die vaardigheden die hen toelaten in te spelen op veranderingen en zich verder te ontwikkelen. Maar die vaardigheden moeten er ook voor zorgen dat de mens zijn meerwaarde kan realiseren in een gecobotiseerde omgeving.

Dit houdt in dat de menselijke ‘capabilities’ versterkt worden waar de mens een unieke positie inneemt zoals in de vaardigheden die robots niet kunnen overnemen zoals empathisch en reflexief vermogen of emotionele intelligentie. In die transversale vaardigheden die toelaten, over jobs en sectoren heen, een loopbaan vorm te geven moeten we sterk investeren. Maar om de dialoog met zijn robot te kunnen voeren, spreekt de werknemer van de toekomst ook de digi-taal als zijn nieuwe moedertaal en beheerst hij ‘computational thinking’. Hij denkt creatief na over het inzetten van digitale tools om problemen op te lossen en begrijpt de mechanismen achter technieken, apparaten en applicaties. Dit zijn de transversale vaardigheden die mensen in een VUCA-omgeving de juiste mindset en hendels geven om niet langer nog alleen een job maar een loopbaan succesvol te kunnen invullen.

Investeren in de werknemer van de toekomst betekent volop investeren in de competenties van de toekomst. Werknemers die deze competenties in de diepte beheersen hebben de juiste sleutels om hun loopbaan uit te bouwen, zijn sterk genoeg om breuken en transities op te vangen en flexibel genoeg om te blijven evolueren met en naast robots. Of om een Chinees spreekwoord te parafraseren: “Leer een mens een beroep en hij heeft een job. Leer een mens de competenties van de toekomst en hij heeft een loopbaan”.

Recent beweerde een academicus in Trends dat VDAB veel te veel middelen inzette op big data, AI en algoritmen in plaats van op face-to-face begeleiding. Eerlijk gezegd wou ik dat deze academicus gelijk had. Want dan zou onze dienstverlening vandaag al volledig gevoed worden door het gebruik van artificiële intelligentie. Dit is evenwel (nog) niet het geval. We zitten nog steeds in de experimentele fase. Maar deze experimenten geven duidelijk nieuwe mogelijkheden aan om een echte dienstverlening op maat van werkzoekenden, werknemers en werkgevers uit te bouwen. Door enkel maar het surfgedrag van werkzoekenden op de VDAB-website te analyseren komen we tot de toch wel interessante bevinding dat ca. 40% van de werkzoekenden op zoek is naar een andere job dan deze die ze bij hun inschrijving hebben opgegeven. Die werkzoekenden zouden we beter kunnen gidsen in functie van hun ‘latente’ jobaspiraties. Profielanalyses van duizenden werkzoekendendossiers leveren ons criteria op die een grote predictieve waarde hebben inzake langdurige werkloosheid. Die informatie laat toe vlugger en gepaster te ageren als bemiddelaar. Hetzelfde geldt voor de vacature-markt. Profielgegevens van werkgevers laten ons ‘Amazon’-gewijs toe de juiste kandidaten te selecteren en voor te stellen. Algoritmes laten ons ook toe gelijkaardige vacatures of gelijkwaardige kandidaten te clusteren en voor te stellen aan werkzoekenden, respectievelijk werkgevers.

Public Employment Services die een echte regierol opnemen zoals VDAB, zitten op een goudmijn aan data over werkzoekenden, werkgevers en – door de loopbaancheques – ook meer en meer over werknemers. Indien we onze dienstverlening door het slim gebruiken van deze data beter, proactiever en directer kunnen afstemmen op het ‘arbeidsmarktconsumptiegedrag’ van onze klanten, komt het axioma van maatwerk erg dichtbij. Dan kunnen we de transparantie en snelheid van transities op de arbeidsmarkt daadwerkelijk verhogen en onnuttige tussenschakels en –kanalen maximaal uitschakelen.

Maar deze datagedreven dienstverlening laat juist ook toe tijd vrij te maken voor de werkzoekenden die echt nood hebben aan face-to-face begeleiding. De academicus vergist zich in zijn aanname dat het ene het andere verdringt. Juist door meer in te zetten op AI kunnen we betere persoonlijke begeleiding organiseren en aanbieden. Niet enkel omdat men de groep van personen die deze begeleiding nodig hebben, beter kan afbakenen maar ook omdat dankzij het verwerken van allerlei data het persoonlijk gesprek tussen de bemiddelaar en de werkzoekende rijker zal gestoffeerd zijn. Uit onze experimenten leren we nu al dat we onze bemiddelaars een duidelijker en overzichtelijk dashboard kunnen geven van alle werkzoekenden die in hun portefeuille zitten in functie van hun zoekgedrag, positie en mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Hoe rijker de bronnenset, hoe beter het gesprek kan verlopen, hoe gerichter de uitkomst van het gesprek zal zijn.

Algoritmisch activeren komt dus alle werkzoekenden ten goede zowel de zelfredzame als de minder zelfredzame werkzoekenden. Zo draagt het bij tot het gewenste activeringsritme.

Ik geef toe dat dit woord geen deel uitmaakt van mijn courante woordenschat en dat ik dus wel wat verbaasd was toen een vertegenwoordiger van een regionale werkgeversvereniging de werkzoekendenpopulatie als ‘amorf' bestempelde. ‘Amorf' betekent volgens Van Dale ‘vormloos’ of ‘lusteloos/passief/apathisch’. Aan zijn uitleg te horen had betrokkene het over de tweede betekenis. Maar hij vergist zich. De werkzoekendenpopulatie is geenszins amorf.

Vooreerst zit er een hele dynamiek in deze populatie die in de maandelijks gepubliceerde werkloosheidscijfers nauwelijks of niet zichtbaar is. De voorbije 12 maanden zijn er bijna 706 000 bewegingen geweest in of uit de werkloosheid. Dat is 3,2 keer meer dan het statisch gemiddelde (ca 259 000) in die periode. Uiteraard is de dynamiek groter bij jonge, hooggeschoolde en kortdurig werkzoekenden en bijgevolg langer voor de ‘oudere', laaggeschoolde en langdurig werkzoekenden. Wat deze laatste subgroepen betreft zal iedereen die het arbeidsmarktgebeuren wat kent, onmiddellijk begrijpen dat dit toe te schrijven is aan structurele kenmerken van vraag- én aanbodzijde op onze arbeidsmarkt en niet aan een meer passieve houding van de betrokken werkzoekenden. Bovendien merken we als VDAB ook op dat heel veel werkzoekenden actief sollicitatiefeedback (meer dan 300 000 keer in het startjaar) aan ons geven, participeren in de begeleidings-, opleidings- en werkervaringsacties die we met partners opzetten, in een intensief begeleidingstraject zitten,… Vorig jaar namen bijna 150.000 werkzoekenden deel aan het brede gamma van competentie-versterkende acties. Dit illustreert ook de actieve ingesteldheid en globale medewerkingsbereidheid.

Verder is het ook van belang op te merken dat één vierde van de werkzoekendenpopulatie geen (potentiële) uitkeringsgerechtigde werkloze is voor wie activering gepaard gaat met opvolging van het zoekgedrag en mogelijke sanctionering. De helft van deze deelpopulatie zijn echt vrije werkzoekenden m.a.w. werkzoekenden die spontaan een beroep doen op de services van VDAB; de andere helft zijn werkzoekenden die ten laste zijn van het OCMW, deeltijds lerenden, uitgesloten werkzoekenden die toch verder begeleiding willen, personen met een arbeidshandicap die in andere inkomensstelsels zitten,… Dat deze globale deelpopulatie zo groot is heeft vooral te maken met de bewuste beleidskeuze om – met de toenemende kraptes op de achtergrond – actief op zoek te gaan naar potentieel buiten de klassieke ‘RVA-groep’ om toe te leiden naar de arbeidsmarkt. Ook in deze populatie is er veel beweging.

Van een “amorfe” populatie is dus geen sprake. Ook niet in de eerste betekenis! De diversiteit binnen de werkzoekenden is enorm groot met uitermate veel kleurrijk talent, veel talent met ervaring, talent met diverse scholingsachtergronden, mensen met artistieke en creatieve vaardigheden, gewezen ondernemers die een tweede kans verdienen, werkzoekenden die zichzelf uit de armoede hebben ‘getrokken’, jongeren zonder diploma maar met unieke competenties, nieuwkomers en politieke vluchtelingen die snel aan het werk willen, herintre(e)d(st)ers die op zoek zijn naar een nieuw jobperspectief, etc. Duizenden kleurrijke vormpjes die we best op onze arbeidsmarkt kunnen gebruiken…

Schrap dus maar ‘amorf’ uit het arbeidsmarktwoordenboek!

De zomer van 2017 was uitzonderlijk warm. In het zuiden van Europa werden grote gebieden geteisterd door aanhoudende droogte en de bijhorende bosbranden. Maar ook bij ons in Vlaanderen begint een toenemende droogte ook problematische proporties aan te nemen. Onze bossen blijven gelukkig gespaard, het is de arbeidsmarkt die sinds deze zomer in lichterlaaie staat! De droogte waar we mee geconfronteerd worden is het groeiende gebrek aan kandidaten voor de zeer vele knelpuntvacatures bij onze bedrijven. Toen ik op een jobbeurs Transport en Logistiek in Antwerpen aan de 40 aanwezig HR-managers vroeg of het tekort aan geschikte kandidaten hun bedrijf belette te groeien, gingen zo goed als alle handen de lucht in. Veel meer dan de loonkost, de administratieve beslommeringen, files enzovoorts is het de ‘sollicitantendroogte’ die een rem zet op de groei van onze bedrijven. Vervolgens kaatsten de bedrijven de bal natuurlijk terug naar mij met de vraag: VDAB, wat gaan jullie daar aan doen?

Ik ben blij dat zij, samen met onze bestuurders, politici en burgers ons deze pertinente vraag blijven stellen. Dit bevestigt dat zij het geloof hebben dat wij deze uitdaging aan moeten gaan en dat wij het best geplaatst zijn om de brand onder controle te krijgen. Uiteraard waren we al ruime tijd bezig met de bluswerken en is er veel om fier op te zijn. Maar we zullen samen met onze partners en stakeholders een stevig tandje bij moeten steken willen we van de huidige probleemsituatie naar een win-win situatie gaan. Deze brand houdt voor onze arbeidsmarkt ook enorme opportuniteiten in. Met de regelmaat van een klok wordt België er door academici, de EU en de OESO op gewezen dat de tewerkstelling van migranten en kortgeschoolden erbarmelijk slecht is in vergelijking met de hooggeschoolde autochtone bevolking. Ook blijven onze bedrijven te gemakkelijk en ondoordacht hun oudere werknemers bij de deur zetten, denken we maar aan absurditeiten zoals 50+ers die betaald worden om vooral niet te komen werken.

Als we de brand onder controle willen krijgen kunnen we het ons niet permitteren om bluswater met een kleurtje links te laten liggen. Nieuwkomers en hun kinderen moeten dezelfde kansen krijgen als elke andere werkzoekende. We kunnen het ons niet permitteren om te blijven wachten tot het water de juiste druk heeft. Als een werkzoekende niet het juiste diploma heeft maar wel de juiste motivatie om de nodige competenties aan te leren moeten we ervoor zorgen dat dat mogelijk wordt. Via beroepsopleiding, IBO, stages, online leren, via het VDAB-aanbod, een partner of een private opleiding,… het maakt niet uit hoe zolang het een geschikte kandidaat oplevert! En we kunnen het ons niet langer permitteren om in het ‘grijze goud’ dat onze arbeidsmarkt rijk is, te laten opbranden.

We moeten in tegendeel een momentum creëren om taboes en vooroordelen te slopen die onze arbeidsmarkt verlammen, en voluit gaan voor een arbeidsmarkt waarin diversiteit en levenslang leren de norm zijn in elk bedrijf. Dat werknemers en werkzoekenden van elke leeftijd zich in elke fase van hun loopbaan kunnen bij- of omscholen moet morgen een evidentie zijn. Een cultuur van leren stimuleren is geen kost maar een investering, de enige investering die ons wapent tegen de talentdroogtes van de toekomst.

We kunnen echter niet wachten tot we als de samenleving en op de arbeidsmarkt de vruchten van deze focus op talentontwikkeling kunnen plukken. We moeten onmiddellijk de inspanningen opdrijven om de huidige brand te blussen, en er eerst en vooral zorgen dat we de middelen waar we over beschikken optimaal benutten om kansen te scheppen voor zowel de bedrijven als de werkzoekenden. We beginnen alvast met onze hele werkzoekendenpopulatie in een hoger tempo te screenen en iedereen die we met een opleiding, stage of ander project dichter bij een knelpuntvacature kunnen brengen hiertoe te motiveren. We laten geen enkele werkzoekende vertrekken zonder concreet vacatureaanbod en blijven de hand reiken naar bedrijven om hun werkvloer open te stellen zodat zij ook onze opleidingsvloer worden. De VDAB draagt de maatschappelijke verantwoordelijkheid om deze brand geblust te krijgen, en samen met onze partners, werkgevers en werkzoekenden moeten we hierin slagen! Er is geen andere weg!

We leven in een samenleving waar voor elk maatschappelijk issue, opduikend interessegebied of levensfacet een specifieke vorm van coaching opduikt! Maak kennis met het creatief coachingsuniversum: burn-outcoaches, sportcoaches, welzijnscoaches, life coaches, mental coaches, jobcoaches, loopbaancoaches, communicatiecoaches, fitness coaches, wandelcoaches, NLP-coaches, personal coaches, managementcoaches, gewichtcoaches, talentcoaches, reïntegratiecoaches, kookcoaches, stresscoaches, performance coaches, starterscoaches, teamcoaches, power coaches, slaapcoaches, spirituele coaches, gedragscoaches, ontwikkelingscoaches, gezinscoaches, schrijfcoaches, gelukscoaches, jeugdcoaches, executive coaches, businesscoaches, transformationele coaches, mindfulness coaches, in-company coaches, outplacement coaches, zwemcoaches, loopcoaches, verandercoaches, leercoaches, provocatieve coaches, vluchtelingencoaches, cultuursensitieve coaches, … en ga zo maar door! Eigenlijk te gek om los te lopen! En waar blijven de robotcoaches en …. het summum: de coachcoaches :-)???

Het lijkt wel of coaching dé oplossing is voor alle maatschappelijke, organisationele of persoonlijke problemen. Terecht trekt HR-consultant Nicolas Desmet in zijn boek ‘Wat als… werken toch niet leuk was?’ het uit-de-hand-gelopen coachingsgebeuren in twijfel. Hij verwijst ook naar de Nederlandse hoogleraar psychologie Svend Brinkmann die het heeft over ‘de coachificatie van het bestaan’. Die tendens is een illustratie van hoe we trachten mee te hollen met de snel veranderde omgeving. Door de technologisering, robotisering, het ‘internet of things’, artificiële intelligentie, smart en lean organiseren, überisering van activiteiten… is het versnellingsvermogen overal toegenomen en proberen burgers en bedrijven het tempo – soms wanhopig – te volgen. Daarbij komt nog de ‘consumptiedruk’ en de druk om in het spitsuur van het leven, maar ook méér en méér ervoor en erna, te kunnen of willen tegemoet komen aan allerlei verwachtingen vanuit de eigen leefcontext… Coaching moet ons dan ‘op tempo’ brengen of houden, onze zwaktes bijspijkeren of wegwerken, ons loopvermogen doen toenemen, …

We kunnen met Brinkmann en Desmet de vraag stellen of dit de juiste aanpak is. Is het niet zinvoller om vooreerst te leren ‘stilstaan” als persoon of als organisatie? Om vanuit die positie de omgeving ‘rustig’ te bekijken en analyseren en een bewust gekozen pad en tempo gebaseerd op de eigen energie-gevers uit te stippelen? Al dan niet met behulp van ‘stilte-coaches’ :-)! Is het verder ook niet nodig om nieuwe collectieve “frameworks” te creëren in plaats van elk individu of elke organisatie alleen op pad te sturen? De coachificatie is m.i. evenzeer een signaal dat de huidige collectieve kaders niet meer aangepast zijn aan deze VUCA-wereld. Daarom is een diepgaande reflectie over onderwijs en vorming, sociale zekerheid, individueel en collectief arbeidsrecht, organisatieleer, HR-beleid,… in de 21e eeuw absoluut noodzakelijk. Misschien iets voor ‘beleidscoaches” met een langere termijnvisie!?

Het is geen eenvoudige kwestie die mij onlangs voor de voeten werd geworpen op een forum over orgaandonatie. Vanaf wanneer kunnen wij als publieke bemiddelingsdienst mensen die een ingrijpende medische ingreep hebben ondergaan, actief stimuleren om stappen naar werk te zetten? En hoever kunnen we hierin gaan? Langs de ene kant weten we natuurlijk dat het goed is dat mensen die kunnen werken ook zoveel mogelijk aan de slag gaan. Anderzijds is het niet zo eenvoudig om in te schatten vanaf welk punt iemand nu precies terug ‘kan werken’.

Ik sprak met iemand die een nierziekte had, en na jarenlange dialyse eindelijk de nier had gekregen die hij nodig had om een normaal leven te leiden. Ik vroeg hem of zijn prioriteiten in het leven nu niet verschoven waren. Of hij bijvoorbeeld werken nog wel zinvol vond. Hij antwoordde mij dat wat hij belangrijk vindt, niet veranderd is. Maar dat hij nu eindelijk opnieuw de kracht, de tijd en de gelegenheid had om nog veel sterker te gaan voor waar hij in geloofde. Hij zei mij bovendien letterlijk: “Werk op zich is geen doel. Maar door te werken krijg je “vrije tijd” en “vakantie”. En de middelen om ook in die vrije tijd te doen waar je zin in hebt, en te genieten van die vakantie. “ Niet iedereen zal dit op dezelfde manier ervaren. Werken is immers op zich ook zingevend. Hoe dan ook toont deze uitspraak het belang van werk aan in de samenleving van vandaag.

Onderzoek heeft uitgewezen dat ongeveer 6 op 10 van de niergetransplanteerden voltijds aan het werk is na hun transplantatie, voor hartgetransplanteerden en levergetransplanteerden gaat het over 4 op 10 en voor longgetransplanteerden 3 op 10. Dat wijst er dus op dat er wel degelijke grote verschillen zijn afhankelijk van de ingreep, en elke begeleiding dus individueel maatwerk moet zijn. Maar tegelijkertijd blijkt dat getransplanteerden in gelijke mate als niet-getransplanteerden deelnemen aan het sociale leven via bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. De wil om zich nuttig te maken voor de samenleving is dus universeel. Dus moet elke getransplanteerde een gelijkwaardige kans kunnen krijgen om zich ook op de arbeidsmarkt nuttig te maken. We kunnen dus zeker en vast, weliswaar op maat van de individuele situatie, elke getransplanteerde actief stimuleren richting hertewerkstelling.

Hoe kunnen wij als VDAB inschatten of iemand al terug ‘kan werken’? Dat is vanzelfsprekend: dat kunnen we enkel samen met de mensen zelf inschatten. We polsen waar hun interesses liggen, waar hun sterktes zitten en wat hun competenties zijn. Heel vaak zullen we, zeker in de communicatie met ziekenfondsen, gebruik maken van de ICF*-inschattingslijst. Via deze tool slaan we de brug tussen het puur medische en het werkgericht functionele. Afhankelijk van wat er uit die inschatting komt, gaan we met de klant afspreken om een actie te ondernemen. Dat kan een opleiding zijn, al dan niet in samenwerking met een partner. Vaak gaat het om vormen van werkplekleren, want dat is nu éénmaal de snelste weg naar werk. Soms heel korte opleidingsacties, soms langere. Na elke stap volgt een evaluatie, een nieuwe inschatting en als het nodig is ook een nieuwe actie. Maar altijd heel gericht op dat ene doel: zo snel mogelijk werk vinden.

We werken daarvoor nu al 7 jaar heel nauw samen met de ziekenfondsen en het RIZIV. In die 7 jaar hebben we meer dan 10.000 personen begeleid, en van de personen die een volledig traject doorlopen hebben, gaat ongeveer 1 op 3 terug aan het werk. We kunnen met een gerust hart concluderen dat terug gaan werken, of stappen zetten richting werk ook in het geval van een transplantatie-context bijdraagt tot een “herstelproces”. Ook in dit geval maakt werken vaak “beter”. Laat ons daarom, nog meer en beter dan voorheen, de handen in elkaar slaan en bruggen bouwen tussen de wereld van welzijn en gezondheid en de wereld van werk. Zo kunnen we de betrokken personen ook weer zinvol werk doneren!


* international classification of functioning, disability and health