U bent hier

Fons blogt... - februari 2011

Standaard Uitgeverij bracht recent een box op de markt met tien memorabele “Suske en Wiske”-albums ter gelegenheid van de 65ste verjaardag van deze populaire stripreeks. Een echte aanrader voor iedereen die met de verhalen van Suske & Wiske, Lambik, Tante Sidonia, Jerom, Professor Barabas en Schanulleke is opgegroeid.

Maar minder bekend is de alternatieve albumbox “Suske en Wiske en de Knagende Knelpunten” die onlangs door VDAB werd uitgegeven naar aanleiding van 25 jaar knelpuntberoepen op de Vlaamse arbeidsmarkt. We geven hierbij een overzicht van deze tien eveneens memorabele albums met hun onderwerp en de moraal van het verhaal.

  • De gretige grijsaard

Professor Barabas speelt de hoofdrol. Ondanks zijn grijsheid stelt hij zijn wijsheid ter beschikking voor de ontwikkeling van “Vitamitje II”, een auto volledig aangedreven op wind- en zonne-energie.

De grootste arbeidsreserve bestaat uit de 50-plussers. Willen we kwantitatief de knelpuntvacatures bestrijden, dan moeten we zo wel meer 50-plussers aan het werk houden als 50-plussers terug herinschakelen.

  • De omgeschoolde ornitholoog

Vogelliefhebber Lambik vindt geen werk. Tante Sidonia zet hem voor de keuze: werken of het huis uit. Lambik herschoolt zich als vrachtwagenchauffeur en kan tijdens zijn buitenlandse ritten naar de vogeltjes turen.

Teveel jongeren studeren nog af met kwalificaties die te weinig of niet gevraagd worden op de arbeidsmarkt. Hun beroepsaspiraties moeten zo snel mogelijk verruimd worden zodat hun kansen op een duurzame job toenemen.

  • De Waalse weldoener

Bob en Bobette snellen hoteluitbaters Suske en Wiske ter hulp omdat zij kampen met een personeelstekort. Ze krijgen een cursus “Nederlands op de werkvloer”. Kordaat Ketje steekt ook af en toe een handje toe.

De werkloosheidsgraad ligt in het Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest veel hoger dan in Vlaanderen. Via interregionale mobiliteit kunnen we op een goedkope wijze Waalse en Brusselse werkzoekenden tewerkstellen in Vlaamse bedrijven.

  • Het bedreven bedrijf

Theofiel Boemerang kent een hoge turn-over in zijn electro-zaak. Hij denkt te veel aan centjes en percentjes én te weinig aan zijn personeel en klanten.

Bedrijven die niet aan employer branding doen door duurzame relaties op te bouwen met hun interne en externe stakeholders, prijzen zichzelf uit de arbeidsmarkt. Bedrijven die dit wel doen, zullen sneller geschikt personeel vinden.

  • De competente collega

Arthur, de exotische en excentrieke broer van Lambik, komt inwonen bij Lambik en Tante Sidonia. Hij ondervindt dat “onbekend ombemind is” maar weet uiteindelijk dit album te kleuren door zijn competenties ten toon te stellen.

Door te kijken naar alle competenties van (potentiële) medewerkers en niet naar uiterlijke kenmerken (huidskleur, grijs haar, handicap, excentrieke kledij, …) creëren we extra kansen voor personen die nu nog niet op de arbeidsmarkt zijn geraakt.

  • De lenige leerder

Jerom werkt als bediende in een hamburgerketen maar wil doorgroeien tot winkelmanager. Hij volgt met steun van zijn werkgever een aangepaste opleiding waarbij zijn op de werkvloer verworven competenties verzilverd worden.

Als overheden, sectoren, bedrijven en werknemers samen investeren in individuele leerladders kunnen we méér mensen op het juiste competentieniveau tewerkstellen. Permanente vorming en loopbaanontwikkeling zijn hierbij cruciaal.

  • Het gewapend gewest

Professor Barabas reist met zijn teletijdmachine naar 2015 om vast te stellen dat de Deelstaten méér bevoegdheden hebben gekregen om de knelpunten op de arbeidsmarkt aan te pakken.

De versnippering van de bevoegdheden over de diverse overheidsniveaus heen verhindert een krachtdadige aanpak van de knelpuntenproblematiek. Meer homogene bevoegdheden voor de Deelstaten aan de ene kant en een sterkere samenwerkingssynergie tussen de Deelstaten en de federale overheid aan de andere kant zijn noodzakelijke hefbomen voor zo’n aanpak.

  • De activerende aanpak

Tante Sidonia verveelt zich, nu Suske en Wiske het huis uit zijn; Annemie Van Zwollem heeft tijd te over omdat haar vader in een rusthuis verblijft; Snoeffel en Gaffel wentelen zich in luiheid. Lambik denkt aan zijn brugpensioen…

Willen we de knelpunten op de arbeidsmarkt reduceren, dan moeten we ons activeringsbeleid uitbreiden naar alleenstaanden, herintreedsters, personen in de sociale bijstand, andere uitkeringstrekkers en ouderen. Meer activering dus … maar wel op maat.

  • De witte werver

Bo bu en Bo be te (China), Willy en Wanda (USA), Baga en Basang (Tibet), Zé en Maria (Brazilië), Bob en Bobette (Congo), Neelsie en Miemsie (Zuid-Afrika) komen op bezoek bij Suske en Wiske. Plots wordt het een kleurrijke keukenvloer.

Diversiteit op de werkvloer is een troef. Nog te veel zoeken de jonge blanke, goed opgeleide selectie- en wervingsverantwoordelijken naar witte raven, blanke “clonen” en negeren ze daardoor de rijkdom aan diversiteit die overigens ook bij de klanten aanwezig is.

  • De Krimson crisis

Krimson, de eeuwige slechterik, wil de vorige 9 albums vernietigen. Hij wil iedereen manipuleren zodat er niets verandert. Met een aanhoudende crisis kan hij immers overal zijn slag slaan.

Als de beleidsmakers niet de moed en daadkracht opbrengen om fundamenteel in te grijpen in het arbeids-, onderwijs- en sociaal bestel, zullen we dieper wegzakken in het knelpuntenmoeras. Doet men dat wel, dan kan een knipogend en glimlachend Wiske ook deze reeks afsluiten.

Benieuwd naar de alternatieve reeks? Bekijk ze online.

Hoe hard zijn we op ons uiterlijk gesteld? Hoe werken we elke dag aan ons voorkomen? Hoe vaak vragen we ons af of we er goed uit zien? Toegegeven, een beetje “présence” misstaat niet… ook niet op het werk of om werk te zoeken. Maar hoever moeten we daar in gaan… het sprookje van Hans Christian Andersen indachtig?

Er was immers vroeger de welbekende keizer die bijzonder ijdel was en meer bezig was met zijn uiterlijk dan met het regeren van het land. Elke dag stond hij voor de spiegel om zichzelf in zijn pronkende kleren te bewonderen. Hij dreef zijn kleermakers tot wanhoop omdat hij alsmaar méér, mooiere en exclusievere kleren wou. Al vlug werd  het beroep van keizerlijke kleermaker een knelpuntberoep want de ijdelheid van de keizer overtrof alles. Tot er zich op een dag een paar rondreizende malafide kleermakers aan het keizerlijk hof aanboden met de boodschap dat zij de keizerlijke wensen konden vervullen. Zij maakten een keizerlijk pak van zo’n exclusieve stof die enkel maar door slimme mensen kon worden gezien. Omdat noch de keizer noch zijn hovelingen zich als dommeriken wilden laten beschouwen, prezen ze het mooie, onzichtbare pak. De keizer liet zich dan ook gewillig dat zogezegd pak aanmeten en liep er mee door de straten te paraderen. Hij besefte niet dat hij letterlijk en figuurlijk in zijn blootje liep tot groot vermaak van de menigte.
Wat heeft dit sprookje nu met de arbeidsmarkt te maken, zal je je afvragen. Veel… ook op de arbeidsmarkt lopen er allerlei kleermakers rond die proberen je iets te laten opspelden dat moet doorgaan voor een deftig pak, maar waar je uiteindelijk toch niks aan hebt. Het “virtuele”pak van de vreemde kleermakers lijkt voor de goedgelovige keizer op iets unieks en bijzonders, maar dat is het niet. Het pak is zuiver fabriekswerk… een grijs pak dat versleten oogt als je wat ouder bent, een verfrommeld tweedehandskostuum dat te groot of te klein is als je onbemiddeld op de arbeidsmarkt komt,... Het blijken steeds goedkope pakken te zijn die ze aan elke goedgelovige kunnen verpatsen…
Dat deze goedgelovige dan in zijn blootje op de arbeidsmarkt komt te staan, maakt hun zaak niet meer uit. De buit is immers binnen.

De keizer was beter op zoek gegaan naar een echt en degelijk maatpak waarin hij zich goed kon voelen. Geen virtueel pak dat iedereen zomaar zou kunnen aantrekken maar wel een pak dat volledig fit met zijn persoonlijkheid. En laat dat juist het opzet zijn van het nieuwe begeleidingsconcept van de VDAB en zijn partners. Overstappen van een sluitende aanpak van werkzoekenden, waarbij iedereen een standaardpak krijgt aangemeten op vooraf gezette tijdstippen, naar een sluitend maatpak waarbij elke werkzoekende een eigen aanpak krijgt in functie van zijn competenties, ontwikkelingsmogelijkheden en positie op de arbeidsmarkt. Het kan hierbij niet de bedoeling zijn dat we de werkzoekende in zijn blootje zetten… maar we moeten juist zorgen voor een geknipt pak dat zijn competenties zichtbaar maakt. De kleermakers van de arbeidsmarkt moeten dus de talenten van iedereen belichten en niet verstoppen in vormeloze pakken. En misschien moeten we iedereen ook enkele competentiebrilletjes meegeven die ze kunnen uitreiken aan bedrijfsleiders die op zoek zijn naar talent maar nog te zeer gewoon zijn aan standaardpakken.

Wij kiezen niet voor de blote keizer die zich belachelijk maakt voor het arbeidsmarktpubliek maar wel voor de werkzoekende koning-klant in zijn echt, uniek maatpak.

Bij het lezen van een recente column van de Nederlandse hoogleraar Esther-Mirjam Sent over de zijwieltjes van de Nederlandse economie moest ik direct denken aan de voorbije zomer. Toen werd ik terug geconfronteerd met de existentiële vraag: heeft mijn kleinzoon Sid nog zijwieltjes nodig voor zijn fietsje of zou hij het al alleen kunnen? Als bekommerde opa wil je toch voorkomen dat je kleinkind te zwaar valt en pijnlijke schaafwonden oploopt. Maar bepamper ik hem daardoor niet teveel? Sta ik zijn ontwikkeling om zelfstandig te fietsen – al is dat door eens te vallen – niet in de weg? Gaat het om zijn zelfstandigheid of speel ik eerder op mijn “hulpverleningsvermogen”?

Deze ogenschijnlijk goedbedoelde vragen stellen zich niet enkel bij de fietsopvoeding van mijn kleinzoon, maar doen zich ook voor op de arbeidsmarkt. Zijn wij – professionele hulpverleners, intermediairen, HR, bedrijfsleiders – niet nog te veel leveranciers van zijwieltjes omdat dat ons goed uitkomt, omdat dat onze rol bevestigt en in stand houdt? Houden we zo geen gigantische productie van zijwieltjes in stand in plaats van te investeren in koersfietsen-op-maat? Houden we onze (potentiële) medewerkers niet te lang en te vast in de hand zodat ze behoefte blijven hebben aan strikt afgebakende kaders en functies?

Als we deze vraagstellingen loslaten op het activeringsbeleid van werkzoekenden, dan moeten we ons afvragen of we hen nog steeds niet te veel beschouwen als dienstverlenings-afhankelijke klanten. Doen we genoeg om hen bewust te maken van het feit dat zij zelf het stuur van hun loopbaan in handen moeten en kunnen nemen? Richten we onze dienstverlening zo wendbaar en intelligent in dat onze klanten zelf hun producten kunnen kiezen en zichzelf maximaal kunnen gidsen op de arbeidsmarkt? Geven we hen zoals in een reisbureau, een catalogus waaruit zijzelf hun reisbestemming kunnen kiezen in functie van hun (competentie)budget? Houden we sommige werkzoekenden niet te zeer vast in een circuit van tijdelijke arbeid en uitzendarbeid door hen niet te faciliteren in de verdere ontwikkeling van hun talenten en loopbaan? Kortom, wellicht is ons arbeidsmarktbeleid nog te fel bezig met het leveren van zijwieltjes in plaats van het zelfsturingsvermogen van de werkzoekende of kandidaat-werknemer te vergroten.

Wat geldt voor de arbeidsmarkt, geldt ook voor heel wat arbeidsorganisaties. Creëren arbeidsorganisaties vandaag voldoende scharrelruimte voor hun medewerkers zodat dezen zelf verantwoordelijkheden in autonomie kunnen opnemen? Stimuleren bedrijven door hun werkstructuren innovatie en creativiteit? Houden ze hun medewerkers “gevangen” in goed afgebakende functies zodat ze uiteindelijk uitgeblust te vroeg de arbeidsorganisatie verlaten? Is er een duidelijke management- en HR-visie om te werken met zelfsturende teams of vindt het management dit een bedreiging? Hoe kijken de bedrijfsvakbonden naar het scheppen van vrijheidsruimtes voor de medewerkers, hun leden, in functie van aanwezige competenties én passies? Staan zij open voor nieuwe vormen van arbeidsorganisatie of moet alles strikt ingekapseld en gereglementeerd worden? Zijn er m.a.w. niet nog te veel medewerkers die moeten koersen met zijwieltjes?

Dat deze vragen nog moeten worden gesteld, heeft ook veel te maken met onze onderwijscultuur, die het rijden met zijwieltjes koestert. Hoe moeilijk heeft het onderwijs het niet om zich aan te passen aan de nieuwe kennisgolf die van buitenaf via het world wide web het onderwijs overspoelt zoals de kennisgoeroe Jef Staes stelt? Hoe gaan leerkrachten om met leerlingen die soms méér of andere kennis hebben? Gebruikt het onderwijs deze externe leeromgevingen om kinderen en leerlingen progressief leer- en loopbaancompetenties bij te brengen, ondernemingszin en creativiteit aan te moedigen of blijft men de klassieke handboeken als permanente zijwieltjes gebruiken?

Vragen te over… maar als we opschuiven naar een transitioneel arbeidsmarktmodel waar mensen niet alleen langer maar ook anders kunnen werken, dan behoeven deze vragen een “offensief” antwoord. En dat antwoord kan alleen maar zijn: zo vlug mogelijk weg met die zijwieltjes!

Gepost op 4 februari 2011