U bent hier

Fons blogt... - september 2011

Trendwatchers zoals Herman Konings, Fons Van Dyck, Jef Staes, Peter Hinssen en Nathalie Bekx geven elk op hun domein aan dat de verhoudingen in de samenleving grondig wijzigen. Door het internet en de massale kennisverspreiding aan de ene kant en de hogere scholarisatiegraad van de bevolking aan de andere kant verschuift de macht van de producent naar de consument, van de leverancier naar de klant, van de leerkracht naar de 'lerende', van de dokter naar de patiënt, van het politiek apparaat naar de burger… Consumenten, klanten, leerlingen, patiënten, burgers… zeker zij die behoren tot de AC-generatie (After Computer) stellen zich niet meer a priori afhankelijk op van hun tegenpartij, maar gaan met deze in discussie op grond van zelf verworven inzichten. Het volstaat daarvoor de onuitputbare bronnen van het internet te raadplegen of om via de sociale media vrienden te bevragen omtrent hun ervaringen en op die wijze aan kennisdeling te doen. Deze burgers verwerken kennis naar hun individuele situatie toe en versterken daardoor hun eigen positie in elk relationeel of onderhandelingsproces. Emancipatie op alle fronten komt zo dichterbij. Daarom zouden alle 'institutionele' systemen en actoren deze evolutie moeten omarmen, faciliteren en begeleiden. In eerste instantie zou het onderwijs het internet als leerbron moeten gebruiken en het leergedrag buiten de school moeten includeren in een nieuwe pedagogische aanpak. Vanzelfsprekend houdt deze globale beweging ook uitdagingen in voor de arbeidsmarkt. Uitdagingen die nog verscherpt worden door de demografische ontwikkelingen die op zich reeds de positie van de werknemer in de toekomst zullen versterken. De vergrijzing maakt immers dat in de War on Talent de werknemer in pole position komt te staan en dat misschien het paradigma van wie betiteld kan worden als 'werkgever' dan wel 'als werknemer' zal worden omgegooid. Zien we niet reeds in de creatieve economie kiemen van een nieuw arbeidsorganisatiemodel waarbij diegene die we nu nog werknemer noemen in feite onderhandelt vanuit het feit dat hij tijdelijk en conditioneel zijn werk wil geven, zijn arbeid wil aanbieden aan iemand , de 'oude werkgever' die het al dan niet kan nemen? Zien we eenzelfde evolutie niet in de ZZP’s (zelfstandigen zonder personeel), het toenemend aantal freelancers en de uitbreiding van consultancy-functies?

Hoedanook houdt een sterkere positie van de werknemer in dat de arbeidsverhoudingen méér en méér geïnvidualiseerd zullen verlopen, dat elke werknemer een arbeidsrelatie op maat wil… waarbij rekening wordt gehouden met verschillende intredemomenten in het arbeidsproces, de aard en de zwaarte van het werk, de leer- en ontplooiingsmogelijkheden, de mogelijkheden om gezin en arbeid te combineren, de scharrelruimtes die men krijgt, de bedrijfscultuur, de rijkdom van netwerking, de persoonlijke (levens) loopbaankeuzes, etc. Werknemers zullen zich minder en minder willen terugvinden in algemene collectieve afspraken die voorbij gaan aan hun persoonlijke preferenties maar juist zelf meer en meer de ruimte willen negotiëren binnen de welke ze binnen een bedrijfscontext willen werken. Daarom willen ze ook rechtstreeks onderhandelen met hun werkgever.

De vraag stelt zich of het bestaand sociaal overlegmodel voldoet aan deze paradigmashift. Is in zo’n evolutie het nog houdbaar en/of wenselijk dat top down een onderhandelingskader via een IPA (InterProfessioneel Akkoord) wordt overlegd, dat dan uitgerold wordt naar sectoren en bedrijven. Of zal zo’n IPA niet de plaats (moeten) ruimen voor een IPA 2.0, namelijk InterPersoonlijke Afspraken tussen werkgever en werknemer, niet enkel ingegeven door macro-economische ontwikkelingen maar ook gestoffeerd door de individuele micro-economische verwachtingen van werknemers? Zal een vast ritme zoals het tweejaarlijks IPA nog verzoenbaar zijn met de opvatting van de werknemer die interpersoonlijke afspraken wenst te maken of hernegotiëren wanneer hij of zij de noodzaak daartoe voelt? En moeten er dan geen nieuwe evenwichten tot stand worden gebracht vanuit een bottom up-benadering? Hoe zorgen we ervoor dat de voordelen verbonden aan deze geïndividualiseerde arbeidsverhoudingen (een hoger commitment, meer werkvoldoening, …) niet ten koste gaan van de noodzaak van solidariteit (zodat iedereen zich gelijkmatig kan ontwikkelen)?

Vragen te over waarover de sociale partners zich beter proactief buigen om de trend en de boot van de verpersoonlijking van de arbeidsverhoudingen niet te missen. Eén ding is zeker: het tijdperk van het IPA 2.0 breekt aan.

Jean-Pierre Méan gaat met pensioen. Wie? Nooit van gehoord? Velen zullen hem niet kennen en dat illustreert nog maar eens welke kenniskloof er gaapt met wat gebeurt in het zuiden van het land. Méan is immers de baas van de Forem en dit reeds sedert 1989, de splitsing van de RVA en de oprichting van de Forem. De Forem is als Waalse publieke bemiddelings- en opleidingsdienst, thans één van de grootste werkgevers in Wallonnië en één van de belangrijkste publieke instellingen. In zijn hoedanigheid van leidend ambtenaar van de Forem werd Jean-Pierre meermaals geconfronteerd met het beeld dat zijn organisatie een onderdeel was van de Waalse werklozencultuur en een logge, sterk gepolitiseerde publieke instelling die alle macht naar zich toetrok. Hij leed erg onder dit vals beeld en deed er alles aan om deze perceptie te bestrijden. Zo was Méan zeker geen voorstander van een hangmatcultuur maar een medestander van het eerste uur van het activeringsbeleid dat toenmalig federaal minister, Frank Vandenbroucke, op poten zette. Ook al lag één en ander moeilijk bij sommige partners in zijn Raad van Bestuur, toch trok hij consequent de kaart van “rechten en plichten” bij de implementatie van het reïntegratiebeleid. Getuige hiervan is de statistische vaststelling dat de Forem de VDAB heeft bijgebeend inzake het overmaken van gegevens van werkonwillige werkzoekenden aan de RVA. Méan was ook een uitgesproken voorstander van samenwerking en partnerschappen. Voor zijn open samenwerking met de commerciële private sector kreeg hij trouwens in 2006 de Federgon-prijs. Dat zegt voldoende.

Zijn partnerschapsvisie leidde ook tot een constructieve en domeinbrede samenwerking met de VDAB. Hij hield niet van gewest- of taalgrenzen indien deze grenzen als een Berlijnse muur de ontwikkelingskansen van werkzoekenden of bedrijven afremden. Jean-Pierre geloofde dat goed nabuurschap op vlak van arbeidsmarktbeleid een win-winsituatie creëerde voor beide Gewesten. Daarom trok hij voluit mee de kaart van de interregionale mobiliteit, stond hij achter de oprichting van gemengde interventieteams Forem-VDAB om gemeenschappelijke problemen langs beide kanten van de taalgrens samen aan te pakken en was hij een drijvende kracht en de eerste voorzitter van de vzw Synerjob, de federatie  van de publieke bemiddelings- en opleidingsdiensten van België. Hij besefte dat je door deze aanpak ook federalisme bottom-up kan gestalte geven en dat dit vooral sterker kan zijn dan “van hogerhand” opgelegde samenwerkingsverbanden. In die zin was hij er met mij al langer van overtuigd dat de staatshervorming op vlak van arbeidsmarktbeleid onaf was en dat de Gewesten meer homogene bevoegdheden nodig hadden om een doeltreffend regionaal arbeidsmarktbeleid uit te bouwen. Dit standpunt was in den beginne zeker niet alom gedeeld in Wallonië.

Jean-Pierre Méan was ook een echte promoter van het nieuw Waals economisch beleid, de Forem en de publieke arbeidsmarktdienstverlening. Hij schakelde zich met veel enthousiasme in het Marshall-plan voor Wallonië in en ondersteunde vanuit zijn positie het economisch élan. Reeds lang vóór formateur Di Rupo ging Jean-Pierre de dialoog aan – in het hol van de leeuw – met twee Antwerpse werkgeverskringen. Hij ontkrachtte met veel verve de heersende  vooroordelen. Zo ook appeleerde hij de Vlaamse bedrijven via interviews in de Tijd en De Standaard en op Kanaal Z om meer Waalse werkzoekenden een tewerkstellingskans te geven. Deze interviews waren in Wallonië niet onbesproken. Tijdens de Europese Synerjobconferentie van 1 december 2010 verdedigde hij met vuur de nieuwe missie van de publieke arbeidsmarktactoren, namelijk hun regierol bij de uittekening van een loopbaanbeleid en dat vanuit een multipartnerschapsbenadering.

Al was Jean-Pierre Méan (ten onrechte) niet altijd sant in eigen “land”, toch zal blijken dat zijn visie de grondslag vormt van een modern Waals arbeidsmarktbeleid. De vernieuwing die hij op talrijke fronten heeft ingezet, is onomkeerbaar. Dat is zijn blijvende verdienste!