U bent hier

Fons blogt... - december 2011

Willens nillens heeft de beurscrisis de arbeidsmarkt fel getekend… tot tweemaal toe. Het gebeurde telkens net op een moment dat de jobcreatie op kruissnelheid kwam, de werkzaamheidsgraad toenam, de positie van de kansengroepen op de arbeidsmarkt verbeterde en het activeringsbeleid almaar meer vruchten begon af te werpen… Deze opeenvolgende beurscrisissen doen dus niet alleen de burgers en bedrijven dieper in hun beurs tasten, maar ze remmen ook nog eens de competentie-beursgang erg af. De beurs van de dividenden en de beurs van de talenten zijn duidelijk geen siamese tweeling, helaas.

Door de financiële crisis dreigt de economische heropleving ook het komende jaar te stagneren of alleszins zwakker uit te vallen dan werd voorspeld. We zullen met deze nieuwe, kortcyclische economische bewegingen op de arbeidsmarkt voortaan meer rekening moeten houden. Maar, anders dan vroeger, zal de vergrijzing van de beroepsbevolking nu voor een grote vervangingsvraag zorgen. In Vlaanderen zou het alleen al over meer dan 300.000 vacatures gaan. Dit schept blijvende kansen…

Maar als we de kwalitatieve en kwantitatieve mismatch op de arbeidsmarkt en de evolutie naar een knelpunteneconomie doelgerichter willen bestrijden, dan moeten alle actoren hun visie en aanpak grondig wijzigen. Laat ons eerst en vooral steeds onze competentiebril opzetten en bijvoorbeeld alle 55-plussers die zich op de arbeidsmarkt aanbieden, niet langer behandelen als beurs talent dat we beter dumpen op de afvalberg van competenties, maar als beurstalent. Laat ons de beursgang voor werkzoekenden met beperkingen en werkzoekenden van allochtone origine op de arbeidsmarkt aantrekkelijker maken. Geef personen die buiten de arbeidsmarkt staan zoals herintreedsters, leefloners, ex-gedetineerden e.a., de kans om hun competentiebeurs te openen en hun talenten te tonen. Geef alle medewerkers en werkzoekenden een persoonlijke loopbaanbeurs, volgestopt met leer-, werk- en loopbaankredieten die ze kunnen inzetten om zelf hun loopbaan vorm te geven en volwaardig uit te bouwen. Laat de overheid deze beursgang omkaderen en faciliteren door een kwalitatief en transparant beursratingsysteem op te zetten dat waarborgen biedt voor burgers en bedrijven. Integreer eerder en elders verworven competenties (EVC) volwaardig in dit systeem.

Kortom, laat ons ervoor zorgen door goede afspraken tussen bedrijven, overheid, HR en intermediairen te maken dat de arbeidsmarkt één permanente Talentenbeurs is waarbij competenties voortdurend ontwikkeld en gerecycleerd worden.

Zo luidt de titel van het nieuwe boek van de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens. Hij betoogt hierin dat het principe van de wederkerigheid terug in de kern van het sociaal beleid moet worden geplaatst. Op verschillende domeinen illustreert Janssens hoe hij concreet het wederkerigheidsprincipe gestalte geeft in zijn grootstedelijk beleid. Zo onderwerpt hij het inburgeringsbeleid, het OCMW-beleid, de sociale huisvesting en het leerplichtonderwijs aan de toets van de wederkerigheid. Tegenover elk recht staat er een plicht in hoofde van de betrokken burger. Daarmee zit hij op dezelfde golflengte van het Vlaams activeringsbeleid waarin ook de focus ligt op de tweespan “rechten en plichten”.

In een lezenswaardig dubbelgesprek tussen de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum en de Antwerpse professor sociaal beleid Bea Cantillon dat op 23 juli jl in De Morgen verscheen, formuleren beide experten sociaal beleid evenwel diepe kritieken op de “voor wat, hoort wat”-aanpak. Zo betreurt Cantillon met name dat het solidariteitsprincipe volledig afwezig is, en zelfs door sociaal-democraten als Janssens niet meer in de mond wordt genomen. Deze bemerking mag dan al terecht zijn, de vraag is niet of het ene in de plaats komt van het andere maar hoe beide principes samen het sociaal beleid kunnen schragen. Het is m.i. logisch dat het wederkeringsprincipe eerst wordt toegepast maar dat de solidariteit moet spelen indien er “objectieve” redenen zijn dat de wederkerigheid niet van toepassing kan zijn. Ik besef dat het soms vrij moeilijk zal zijn om na te gaan of er sprake is van objectieve redenen maar ben ervan overtuigd dat dit wel mogelijk is in een trajectmatige aanpak.

Een andere kritiek die beiden uiten, heeft betrekking op de vaststelling dat het wederkeringheidsprincipe vooral de zwakkeren in de samenleving en op de arbeidsmarkt treft en dat bijgevolg dit principe geen gelijke toepassing kent over alle bevolkingsgroepen en actoren heen. Deze kritiek lijkt me pertinent. De recente beurs- en eurocrisis heeft nogmaals aangetoond dat sommige circuits aan de “plichtenleer” ontsnappen of de plichten op andere actoren afwentelen. Een rechtvaardig maatschappelijk en sociaal-economisch bestel zorgt er evenwel voor dat de basisprincipes inzake de ordening van dit bestel ook voor alle groepen en actoren een gelijkmatige uitwerking hebben. Hier liggen belangrijke politieke uitdagingen.

Tot slot wordt ook de sterke “werk”-gerichtheid van het activeringsbeleid gehekeld. Daardoor zou dit beleid een strenge toepassing van het “voor wat, hoort wat”-principe huldigen en weinig te maken hebben met mededogen, emotie en empathie. Voor deze kritiek mogen we niet blind zijn maar we kunnen gelukkig wel vaststellen dat het activeringsbeleid geleidelijk aan verdiept wordt zodat “voor wat hoort wat” een aangepaste invulling krijgt, eerder onderdeel wordt van een film dan van een foto. Het plichtendiscours wordt dus niet afgemeten aan een éénmalig gegeven maar wel ingebed in een globale aanpak die tijd kan vragen. De recente W2-aanpak (werk - welzijn) waarbij voor bijvoorbeeld werkzoekenden in armoede of werkzoekenden met sociaal- psychische of medische problemen of met gekwetste levensbiografieën een aparte, niet lineaire vorm van trajectbegeleiding is opgezet,waarbij terugval- en intervalmogelijkheden voorzien zijn en die a priori niet enkel gefocust is op de arbeidsmarkt en werk maar ook andere aspecten (huisvesting, armoede, geletterdheid, gezondheid, schuldenproblematiek,…) aanpakt, illustreert dat “gerechtvaardigd mededogen” wel degelijk een plaats kan krijgen in het activeringsbeleid, en dit zonder afbreuk te doen aan het wederkerigheidsprincipe. Ik geef toe dat dit nog maar een eerste prille stap is, maar de richting is wel ingeslagen.