U bent hier

Fons blogt... - april 2012

Als de economie en bijgevolg ook de arbeidsmarkt beginnen te sputteren, duiken er steeds weer stemmen op die het nut van “betaalde arbeid” in vraag stellen. Zij stellen dan de noodzaak van volwaardige alternatieven voor betaald werk voorop zoals al dan niet begeleid vrijwilligerswerk, semi-agorale arbeid, mantelzorg, allerlei vormen van niet beloonde of verloonde vormen van maatschappelijke participatie. Natuurlijk zijn deze participatievormen belangrijk en verdienen ze erkenning, maar ze mogen niet gepositioneerd worden vanuit een ongeloof in betaald werk.

Ook in vorige periodes van laagconjunctuur en hoge werkloosheid, laaide dit discours op en voorspelden sommige gerenommeerde auteurs zelfs het einde van de arbeid. Arbeid zou verschaarsen en aan zijn eindloop toe zijn. Refereren we maar naar de boeken van Jeremy Rifkin “The End of Work”, Dominique Méda “Le travail: une valeur en voie de disparition” en Klamer, van der Laan en Prij “De illusie van de volledige werkgelegenheid”. De realiteit gaf hen ongelijk, want de arbeid installeerde zich op een hoger werkzaamheidsniveau dan voor de crisis.

Maar toch gaan nu weer dezelfde stemmen op. Alsof op betaald werken een vloek ligt. Het doet me denken aan een graffiti-gedicht dat de Nederlandse arbeidsfilosoof Hans Achterhuis regelmatig aanhaalde om onze ambivalente houding ten aanzien van werken te belichten:

Ik wou dat ik een vulkaan was
Dan kon ik lekker de hele dag
In de zon liggen en roken
En de mensen zouden zeggen
Kijk, hij werkt.

Nog afgezien van het feit dat onze maatschappelijke perceptie rond rookgedrag gewijzigd is, droomt elkeen van minder arbeid en meer vrije tijd. Arbeid wordt beschouwd als “last”, vrije tijd als “lust”. Deze opvatting staat in schril contrast met de bevindingen van het historisch Marienthal-onderzoek van Marie Jahoda (1931) waarin voor het eerst het belang van de manifeste en latente functies van arbeid werd erkend. Arbeid zorgt voor een sociale identiteit, schept ontplooiingsmogelijkheden, bevordert inclusie, verdringt armoede, maakt individuen maatschappelijk weerbaar, etc… Heel wat later onderzoek heeft het belang van betaalde arbeid bevestigd in relatie tot andere domeinen zoals gezondheid, welzijn, criminaliteitsbestrijding, zelfmoordpreventie, armoede en onderwijs. De politiek econoom en Nobelprijswinnaar Amartya Sen beschrijft treffend de vele kwalen die werkloosheid op individueel en collectief vlak veroorzaakt: psychologische en gezondheidsproblemen, technisch kwalificatieverlies, aantasting van de intellectuele mogelijkheden, motivatieverlies, ondermijning van gezins- en samenlevingsrelaties, vermindering van het verantwoordelijkheidsbesef, spanningen tussen leefgemeenschappen, productieverliezen en blokkeringen op vlak van technisch innovatievermogen. Kan er dan nog wel getwijfeld worden aan het belang van werk? Zeker niet als je ook de uitspraak van de Amerikaanse veldwerkers Joe Marone en Ed Golowka van het Institute for Community Inclusion ter harte neemt: “If you think work is bad for people with mental illness… try poverty, unemployment and social isolation”.

Hoe dan ook dwingt de huidige sociaal-economische, politieke en maatschappelijke context ons om méér mensen langer aan het betaalde arbeidsproces te laten deelnemen. “Last” of “lust”, een hogere werkzaamheidsgraad is een “must”. Nochtans betekent dit niet dat we geen oog moeten hebben om het “lust”-gehalte van arbeid te vergroten… Wel integendeel… “langer werken” kan enkel mits we ook “anders werken”. Dat anders werken moet gestoeld zijn op de “capabilities”-visie van Amartya Sen. Zorg ervoor dat mensen zich kunnen uitleven in hun werk! Maak dat groeien, leren en competentieontwikkeling integraal deel uitmaken van arbeid. Geef werkenden scharrelruimte, autonomie,… Moedig (open) innovatie en teamwerk aan… Zorg voor ontwikkelingsmogelijkheden en carrièrepaden… Koppel “employability” aan “enjoyability” of “werkzaamheid” aan “werkbaarheid”. “Goede arbeid” steunt in de toekomst op een model van “lifetime development” en laat ook toe dat burgers maximaal autonome keuzes maken inzake individuele ontplooiing, associatieve inschakeling, familiale betrokkenheid en maatschappelijke participatie. Zo zorgt arbeid voor verbinding met de globale samenleving.

Niet het einde van arbeid is dus het doel, wel het einde van de citroenloopbaan. We hebben nood aan een loopbaan die constant zoet smaakt en niet langer aan een zure, gecomprimeerde loopbaan die niet enkel langer werken maar ook anders leven verhindert.

Gepost op 26 april 2012

Om de doelstellingen van “met méér mensen langer en anders te gaan werken” te realiseren, moet de overheid de slagkracht hebben om een breed gamma van publieke en private actoren via allerlei samenwerkingsverbanden en multi-actorschapsformules te mobiliseren. Deze mobilisering moet wel op eenzelfde waardengedreven grondslag gebeuren. Dit vereist klaarheid over de spelregels, de ‘beginselen van goede arbeid’ die de toetssteen van de beleidsuitvoering uitmaken. Met de Nederlandse socioloog Ton Korver kan men stellen dat deze regels of beginselen de voorwaarden voor een “fatsoenlijke (arbeids)samenleving” moeten bevatten. Een fatsoenlijke samenleving wordt gekenmerkt door een respectvolle behandeling van de burgers door de overheid. Voor mij zijn er in dat verband een viertal essentiële normatieve uitgangspunten.

Vergroot de “capabilities” van (werkzoekende) werknemers:
Dit beginsel houdt in dat de arbeid zo moet worden ingericht dat deze structureel bijdraagt tot de verhoging van de capaciteiten (“capabilities”) van werknemers. De kerngedachte hierbij is dat arbeidsparticipatie een “essential functioning” in de actieve welvaartsstaat is, de beste waarborg voor actieve betrokkenheid en actief burgerschap. Arbeid vormt de onmiskenbare verbindingsschakel tussen het individu, de samenleving en de politieke gemeenschap. Daarom moeten arbeid en arbeidsparticipatie gericht zijn op maximale ontplooiing van de competenties van werknemers. Dit betekent dat arbeid een duurzame natuur heeft voor de burger waarin groeien, leren en competentieontwikkeling geïncorporeerd is.
Arbeid moet ook toelaten dat de participerende burger maximaal autonome keuzes kan maken inzake individuele ontplooiing, associatieve inschakeling, familiale zorgopname en politieke participatie. Dit vereist een soepel georganiseerd arbeidsbestel met “regels op maat”.

Waarborg de gelijke toegang van voorzieningen:
De arbeidsmarktvoorzieningen, moeten voor iedereen op gelijke wijze openstaan. Dit houdt meer in dan zomaar zorgen voor “gelijkheid van rechten” (formeel gelijkheidsbeginsel) en “gelijkheid van kansen” (procedureel gelijkheidsbeginsel) die gericht zijn op het bieden van een gelijke startpositie. Deze beginselen garanderen evenwel niet een reële, actieve gelijkheid en noodzaken dus de inzet en beoordeling van instrumenten vanuit het beginsel van de “gelijkheid van uitkomsten” (hulpbrongelijkheidsbeginsel). De georganiseerde dienstverlening moet dus de mensen gelijke uitkomsten bieden zodat de initiële “handicaps” zijn weggewerkt.

Verbeter steeds de positie van de minst kansrijken:
Voortbouwend op de sociale rechtvaardigheidstheorie van de rechtsfilosoof Ronald Dworkin heeft dit regievoorschrift als doelstelling dat de situatie van de minst kansrijken er altijd op moet vooruitgaan. Principes inzake participatie en insluiting houden in dat bij elke maatregel de situatie van deze groepen prioritair wordt bekeken. Een ongelijke werking van een maatregel is slechts te rechtvaardigen indien deze de positie van de minst kansrijken bevoordeelt t.a.v. andere groepen. Bij de toetsing van dit voorschrift in functie van een concrete maatregel moet niet enkel rekening worden gehouden met de sociale of maatschappelijke hinderpalen waarmee mensen in aanraking komen, maar ook met hun oorspronkelijke of zelf opgebouwde kapitaal, samengesteld uit de aangeboren aanleg en talenten, opvoeding, familiale achtergrond, gezinssituatie, materiële startpositie en sociaal-economische omgeving. Niet iedereen start immers met gelijke kansen.

Bevorder de evenredige participatie:
Gelet op de structurele achterstelling van sommige groepen zoals jonge allochtonen, personen met een handicap en ouderen, een achterstelling die geenszins terug te leiden is tot een louter scholingsprobleem, moet altijd het principe van de evenredige participatie als toetssteen worden gebruikt. De arbeidsmarkt moet een spiegel zijn van de samenleving. De bevordering van de evenredige participatie betekent niet enkel dat alle rechtstreekse en onrechtstreekse discriminatiemechanismes worden uitgeschakeld, maar ook dat de macht van de diversiteit tot op de werkvloer doordringt.

Doorheen deze principes speelt nadrukkelijk het gedachtegoed van Amartya Sen, Nobelprijswinnaar Economie en hoogleraar aan de Harvard Universiteit. Hij reikt met zijn Capability Approach het perfecte kader aan voor de waardegebonden fundamenten van de transitionele arbeidsmarkt en zelfs ruimer van een nieuw sociaal-economisch bestel. Zijn opvatting stelt de ontwikkeling van de persoonlijke vermogens en mogelijkheden centraal. Hij vraagt dat de publieke en semipublieke voorzieningen zo worden ingericht dat ze toelaten dat burgers hun competenties maximaal kunnen exploiteren. Amartya Sen betoogt dat arbeid zo moet worden ingericht dat deze structureel bijdraagt tot de verhoging van de ’capabilities’ van werknemers. Het verwerven van een passende job moet binnen eenieders bereik komen. Het rapport van de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid ‘Investeren in werkzekerheid’ merkt dan ook terecht op dat “in termen van arbeidsmarktinstituties het pleidooi van Sen neerkomt op meer activerende, mobiliserende en particpatiebevorderende instrumenten en niet louter financiële herverdelingsmechanismen”. Arbeidsparticipatie is de beste waarborg voor actieve betrokkenheid en actief burgerschap.

De beginselen van goede arbeid moeten hiertoe een kader bieden!

Gepost op 10 april 2012