U bent hier

Fons blogt... - mei 2012

“Sloop die muren om me heen. Help me zo bij jou te komen”, zo zingt de populaire Vlaamse bard Johan Verminnen in zijn tijdloos nummer en dansvloerplakker. “Laat me nu toch niet alleen”. Deze zinnen spookten door mijn hoofd tijdens een recent seminarie “Ba(c)k@Work” over de (her)inschakeling van ex-gedetineerden op de arbeidsmarkt. Het is bekend dat de starheid van arbeidsmarktinstituties het best gemeten kan worden bij groepen die een verre afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Niet voor niets dus dat deze thematiek vooral volgende vragen oproept: “Hoe kijken we naar mensen? Wanneer denken we talent te (h)erkennen? Kijken we door het juiste vizier? Zetten we onze competentiebril op of kijken we nog met de matte glazen van de vooroordelen?” Het valt op dat we bewust of onbewust met vooroordelen kampen en daardoor mensen (behalve onszelf) geen tweede kans gunnen. In plaats van ons te laten boeien door hun talent, zitten we zelf geboeid in een HR-visie doorspekt met vooroordelen en schijnzekerheden. Zo maken we van de arbeidsmarkt zelf een gevangenis die talenten uitsluit in plaats van insluit.

Met zo’n houding versterken we het stigma dat op ex-gedetineerden kleeft en zeggen we dat het gat op hun C.V. een bodemloze put is waaruit men niet kan klimmen. Dat dit de ex-gedetineerde in een moeilijk menselijk parket brengt, mag blijken uit dit mooi gedicht dat gepubliceerd werd in een rapport van de vzw Grijkoort die actief werkt rond de professionele integratie van deze doelgroep.

Ik ben bang
als de poort opengaat.

Ik ben bang
dat ik op straat sta.

Ik ben bang
dat ze kunnen zien waar ik vandaan kom.

Ik ben bang
voor de vraag: bent u ooit veroordeeld?

Ik ben bang
dat de muur van afwijzing hoger is dan die van de gevangenis.

Mijn God,
ik ben bang
voor mijn invrijheidstelling waarop ik me zo verheug.

De angst die bij ex-gedetineerden leeft om zich terug in de samenleving en op de arbeidsmarkt te integreren, mogen we vanuit de arbeidsmarkt en HR-middens niet voeden, wel integendeel.

Het is onze ervaring en die van heel wat partners op diverse domeinen (justitie, welzijn, vorming, werk, …) dat gedetineerden binnen hun gevangeniscontext heel wat nieuwe competenties opdoen en sleutelvaardigheden verwerven. Bij de uitreiking van leer- en scholingsbewijzen in de gevangenis van Leuven sta ik altijd weer versteld van de enorme leergoesting die ook gevangenen vertonen, de bereidheid om de tweede kans écht en sterker “gewapend” te grijpen, …. Ze hebben helemaal geen gat in hun C.V. maar heel wat nieuwe troeven die ze zo snel en duurzaam mogelijk willen inzetten. De begeleiding die de detentieconsulent van de VDAB, samen met diverse begeleidings- en vormingsactoren, aanbiedt in de gevangenissen, maakt dat de betrokken personen wel degelijk op alle vlakken voorbereid zijn voor een opstap naar de arbeidsmarkt. Zo wordt in het project Ba(c)k@Work in Hasselt samengewerkt rond de uitbouw van een leernetwerk met alle diensten die betrokken zijn bij de tewerkstelling van gedetineerden en rond de sensibilisering van werkgevers. In Leuven-Centraal wordt werk gemaakt van het valoriseren van intra muros -verworven competenties via een ervaringspas voor gedetineerden en wordt er vanuit deze competentiescreening gezocht naar een passende job. In de Mechelse gevangenis is een modulair begeleidingspakket op maat uitgewerkt voor gedetineerden – in – kort - verblijf. Het VELCRO-project focust zich op langdurig gedetineerden met uitzicht op halve of volledige invrijheidstelling vanuit de Oudenaardse gevangenis en probeert door een “klevende” begeleidingsaanpak – vandaar de verwijzing naar “velcro” – voor de gedetineerde zowel binnen als buiten de gevangenismuren resultaat te boeken op vlak van competentie-ontwikkeling. In deze gevangenissen wordt ook via Werkpuzzel een Persoonlijk OntwikkelingsPlan (POP) voor gedetineerden uitgewerkt die de opstap naar de arbeidsmarkt moet faciliteren.

Het is dan ook absoluut nodig dat we dit geactiveerd talent omarmen. Doen we dit niet dan negeren we niet alleen talent maar versterken we ook de starre werking van onze arbeidsmarkt en houden we de hoge muren rond zo’n arbeidsmarkt in stand. Dan verdienen wij geen attest van goed gedrag en zeden!

Gepost op 23 mei 2012

Ik ben een voorstander van de vrije studiekeuze. Laat daar geen twijfel over bestaan. Jongeren moeten kunnen kiezen voor hun eigen ambities, dromen en idealen. Een vrije studiekeuze betekent echter ook dat je over alle informatie beschikt die met die keuze verband houdt. Het aspect arbeidsmarkt is er daar een van, weliswaar niet het enige. Maar ik betwijfel dat kennis over de arbeidsmarkt en jobmogelijkheden voldoende gekend zijn bij wie voor die keuze staat. Laat staan dat jongeren altijd goed kunnen weten wat hen ligt, waar ze plezier en voldoening uit zouden halen als ze later aan de slag zijn.

Veel jongeren maken een keuze op basis van de informatie en overtuigingen die ze hebben, logisch. Zo blijft studeren in ASO-richtingen vaak (mede door de overtuiging van ouders) aangeschreven als een ‘hoger goed’ en beschouwen ze een keuze voor technische richtingen of beroepsonderwijs als een stap terug. Al te vaak houden jongeren en hun ouders deze deur liefst zo lang mogelijk gesloten. We vergeten echter al snel dat je bijvoorbeeld na technisch secundair onderwijs ook verder kan studeren. De overtuiging van ‘een stap terug’ en de zogenaamde ‘watervalgedachte’ betreur ik ten zeerste, want ook in deze richtingen kunnen jongeren zich ontplooien, hun talenten (wél) ontwikkelen én van een algemene vorming genieten. Onderwijs gaat immers niet alleen om voorbereiden op de arbeidsmarkt die later volgt. Het gaat ook om een brede vorming tot ‘mens-in-de-wereld’. Daarom wil ik het belang van algemene vorming ook in technisch of beroepsonderwijs nadrukkelijk onderstrepen.

We zien ook dat studiekeuzes mee vorm krijgen door andere elementen, media bijvoorbeeld. Getuige daarvan is de massale toestroom in de hotelscholen sinds een rist tv-programma’s op verschillende zenders het beroep breed op de kaart zet. Idem in de dierenverzorging. Zowel in het BSO als in de bachelorsopleiding steeg het aantal instromers. Niet uitsluitend te verklaren door media-aandacht, maar deels beslist wel. Ook opvoeding, culturele patronen geven mee richting. We zien onder andere bij migrantenjongeren een vrij stereotype keuze voor zogenaamde typische jongens- of meisjesrichtingen. De socio-economische status van ouders bepaalt ook voor een groot stuk de studiekeuze van kinderen.

De vraag is dus wanneer we echt van een vrije keuze kunnen spreken? Een keuze die is ingegeven door bijvoorbeeld kennis van de studie-inhoud, soms ‘gestuurd’ door de omgeving en eigen of andermans overtuigingen of ook door informatie zoals een brede kijk op je eigen talent en interesse en juiste en brede informatie over jobkansen? Jongeren zijn in volle ontwikkeling, moeten veel kunnen ontdekken, ook over zichzelf, ook hun talentontwikkeling zit in volle beweging. Maar klopt het dan dat je in een richting stapt waarin je talenten die je wél al kent, weinig tot niet aan bod kunnen komen ter wille van andere ‘betere’, hoger aangeschreven richtingen? Wie goed durft en kan kijken naar talent, komt gegarandeerd terecht in een richting die hem of haar ook goed ligt. En ja, daar wordt de arbeidsmarkt ook beter van.

Ik beschouw het niet als de taak van arbeidsmarktactoren om mensen te dwingen om zogeheten ‘arbeidsmarktgerichte’ studierichtingen te volgen, wel om de jongeren én hun ouders duidelijk te informeren over welke mensen de arbeidsmarkt nodig heeft en hoe de jobkansen zullen liggen zodat ze een bewuste keuze kunnen maken. Dat is bijvoorbeeld de taak van de VDAB.

Wie na zijn schoolloopbaan aanspraak wil maken op het stelsel van werkloosheid, heeft automatisch een aantal rechten en plichten. Aanvaard je die plichten niet, dan is dat een zaak van vrijwillige werkloosheid. Wie goed ingelicht was en een grondige, weloverwogen keuze heeft kunnen maken, moet aanvaarden dat wanneer is gekozen voor een job waarvan je op voorhand weet dat er weinig of geen jobaanbiedingen zijn, de samenleving niet eindeloos deze keuze financieel mee kan ‘dragen’. Concreet betekent het niét dat we van jongeren vragen om een bepaalde jobambitie op te geven, integendeel. Wel vragen we om de scope van de zoektocht te verruimen en niet alles in te zetten op onmiddellijk in die ene droomjob aan de slag te kunnen als die zeer zeldzaam is. We vragen dus het jobdoelwit te verruimen. Zomaar ‘in het wild’ een totaal ander beroep gaan zoeken nadat je je studies toegewijd en met passie en ambitie hebt afgerond, is ook niet de bedoeling. We gaan daarbij omzichtig te werk en zoeken naar jobmogelijkheden die goed aansluiten bij wat je al kan, wat je interesseert. We vragen ook niet om bepaalde competenties overboord te gooien en op te geven. Neen, we zoeken naar jobdoelwitten waarmee men competentiegewijze al voeling heeft. In die gevallen willen we jongeren dus vlug én slim oriënteren naar een job maar dan wel met reële perspectieven. Het is in mijn ogen dan ook onverantwoord om deze jongeren “werkloos” te houden en de kosten hiervan op de samenleving af te wentelen. Dat komt noch de jongeren, noch de arbeidsmarkt noch de samenleving ten goede.

Alles bij elkaar genomen, maak ik me niet veel zorgen over de mogelijkheden op de arbeidsmarkt voor wie hogere studies afrondt. Die studenten hebben een uitermate brede vorming gekregen, hebben heel wat bagage die hen in staat stelt om het stuur van hun loopbaan in eigen handen te nemen. Ze ontdekken welke jobmogelijkheden er bestaan, wat hen ligt en hoe ze hun loopbaan vorm kunnen geven. Er zijn gelukkig dankzij ambitie en idealen ook heel wat mensen aan de slag in jobs die op het eerste gezicht niet bijdragen aan zuivere economische groei, maar die wel mee vorm geven aan een waardevolle samenleving, op welke schaal dan ook.

Onze jaarlijkse studie naar schoolverlaters toont telkens weer dat de overgrote meerderheid van wie hogere studies afrondt –ook uit de zogenaamde ‘niet-arbeidsmarktgerichte’ studies- uiteindelijk voet aan de grond krijgt op de arbeidsmarkt, ook al vraagt dit voor sommigen flexibiliteit om hun plannen bij te sturen, om een algemeen vormende studie aansluiting te laten vinden bij een concrete job.
 
Mijn zorg gaat vooral uit naar jongeren uit het secundair onderwijs. Daar ligt de ongekwalificeerde uitstroom nog veel te hoog. Deze jongeren krijgen al op veel te jonge leeftijd een enorm zwaar juk om de rest van hun loopbaan in deze zeer diplomagerichte samenleving mee te dragen. Niet alleen het diploma speelt een rol, het is vooral zaak dat deze jongeren blijven geloven in hun kunnen en hun talenten verder kunnen ontdekken, kunnen geloven in hun kwaliteiten en wat ze nog kunnen leren. Daarom is technisch of beroepsonderwijs mijns inziens in deze niet alleen een zaak van het ontwikkelen van technische vaardigheden, maar moet het jongeren ook een algemene vorming bieden, hen ook leren ‘verder-leren’, ‘leergoesting’ geven, hen maximaal loopbaancompetenties bijbrengen,... Dit biedt inderdaad meer mogelijkheden om jobs in te vullen op de arbeidsmarkt, maar maakt de jongere ook sterker als ‘mens-in-de-wereld’. De aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt verloopt  –ook voor wie de eindmeet haalt- soms dermate moeizaam, dat jongeren de grootste moeite hebben om hun weg naar betaalde arbeid te vinden. Een betere ‘fit’ tussen onderwijs en arbeidsmarkt helpt enerzijds om jobs in te vullen, maar helpt ook mensen om hun talenten te ontwikkelen en met de nodige jobsatisfactie in te zetten in een loopbaan.

Werkgevers schreeuwen om technische profielen in de breedste zin van het woord: lassers, elektriciens en onderhoudstechnici, om er maar een paar te noemen. Toch zetten weinig jongeren de stap naar deze beroepen. Wat is er mis met techniek en technologie? Te vuil? Niet interessant? Niet sexy genoeg? Jongeren zijn er jammer genoeg te weinig door geprikkeld, terwijl er 35.000 vacatures in techniek open staan. Er spelen ongetwijfeld (achterhaalde) overtuigingen mee die gebaseerd zijn op stereotypes -onbekend is nog steeds onbemind, ook als het om beroepen gaat- en maatschappelijke waardering voor beroepen (te betreuren opdelingen zoals ‘hogere’ vs. ‘lagere’ beroepen of arbeiders vs. bedienden). Techniek moet je daarom kunnen ontdekken en aan jezelf kunnen toetsen. Daarom ben ik een voorstander van een brede vorming in de eerste graad van het secundair onderwijs zoals voorzien in de onderwijshervorming van de Vlaamse minister van onderwijs. Het geeft jongeren de kans om breeduit verschillende disciplines te ontdekken. Wie de kans heeft gehad om bv. te leren om creatief te zijn, om te leren hoe je verbanden legt, wie ‘leergoesting’, zin voor samenwerking, flexibiliteit e.d.m. heeft meegekregen, is -ongeacht zijn of haar diploma- én een sterkere werknemer én een sterkere burger.

Gepost op 4 mei 2012