U bent hier

Fons blogt... - mei 2015

Regelmatig wordt door de media een beroep gedaan op arbeidsmarktexperten om voorvallen, evoluties, gegevens inzake werkloosheid en werkgelegenheid, beleidsmaatregelen, … te duiden of te becommentariëren. Dan duiken de onvermijdelijke Jan Denys, Prof. Luc Sels, Prof Marc De Vos of ikzelf op als gebruikelijke ”slachtoffers”. Maar onze reputatie als expert verbleekt in het niets, onze standpunten hebben de levensduur van een tweet wanneer we ons moeten meten met die van Confucius, de Chinese denker en sociaal-filosoof die leefde van 551-479 v. Chr. Zijn kerngedachte over arbeidsmarktbeleid is vele eeuwen later nog brandend actueel en overleeft dus de tand des tijds: “Geef me werk dat bij me past en ik hoef nooit meer te werken!”

Wanneer we vandaag kampen met een aantal structurele deficiënties op onze arbeidsmarkt is dat juist omdat we de leer van Confucius niet aanhangen. Hoog tijd dus voor een Confuciaanse aanpak! Neen, ik pleit niet dat we met stokjes moeten eten of bij dagenraad allemaal aan tai-chi moeten doen (al zou dit onze gezondheid èn dus ook ons werk ten goede komen), maar wel dat we dringend werk moeten maken van passend werk. Het ontbreekt ons vandaag aan een helder concept, een duidelijke visie over passend werk. Dit wordt nu enkel ingevuld als een thematiek voor personen met beperkingen of voor werkzoekenden in het kader van de plicht elk passend werkaanbod te aanvaarden. Maar indien we méér mensen op de arbeidsmarkt willen krijgen en willen dat zij langer willen en kunnen werken dan is een holistische definitie  van passend werk absoluut wenselijk. Zo’n definitie vertrekt niet enkel vanuit de aanbodzijde zoals in de actuele invullingen van dit begrip maar ook vanuit de vraagzijde. Hoe kunnen ondernemingen passende arbeid aanbieden en organiseren? Het is dus een meerzijdige benadering waarbij – evolutieve - competenties van (potentiele) werknemers continu gematched worden met – evolutieve - competenties van organisaties. Een Confuciaans HR-beleid zorg voor deze doorlopende afstemming.

Deze benadering lijk me meer toekomstgericht, duurzaam en evenwichtig dan de nu gebruikte opvatting “het meten van de afstand tot de arbeidsmarkt”. Dit is niet alleen een erg vaag maar ook een in se nietszeggend begrip. Immers de arbeidsmarkt gelijkt op een markt; daar heb je standjes waar kramers concreet kopers vinden, leegstaande kraampjes en zoekende kopers. Dat alles behoort tot de markt. Voor niemand is er dus enige afstand tot de markt. Iedereen is immers op de markt aanwezig. Wel is er mogelijks een afstand om iets concreet te kopen of verkopen. Welnu, dat geldt dus ook voor de arbeidsmarkt. Er is geen afstand tot de arbeidsmarkt maar mogelijkerwijs wel tot een concrete job of kandidaat. Spreken van de afstand tot de arbeidsmarkt is het negeren van de nog niet op de werkvloer benutte competenties.

Het begrip “afstand tot de arbeidsmarkt” vertrekt ook te zeer vanuit één kant van de arbeidsmarkt (de - werkzoekende - werknemer), het is een lineair concept dat hoofdzakelijk instroomgericht is en gaat al te veel uit van een negatieve kijk. Bij passend werk handelt het steeds over een meerzijdige, evolutieve benadering, instroom-, doorstroom- en retentiegericht, stoelend op competenties èn mogelijkheden, een positieve kijk op mensen en organisaties, …

Laat het ons dan ook voortaan hebben over passend werk. Als we dat doen dan maken we – Confucius nogmaals parafraserend – de mensen, die zo’n werk hebben, gelukkig maar wordt werk ook aantrekkelijk voor hen die dit geluk nog niet hebben.

Gepost op 21 mei 2015