U bent hier

Fons blogt... - september 2017

Dat we vandaag zo goed Nederlands spreken is zeker mee te danken aan het TV-programma “Hier spreekt men Nederlands”. Elke aflevering duurde een vijftal minuten, kende een humoristische noot en werd in “prime time”, namelijk onmiddellijk vóór het Journaal van 8, op de toen nog nationale zender BRT uitgezonden. “Hier spreekt men Nederlands” was circa tien jaar lang een vast onderdeel van de avondprogrammatie. Het werd met veel bravoure gepresenteerd door het briljante trio Joos Florquin, Annie Van Avermaet en Fons Fraeters, af en toe geholpen door hun trouwe viervoeter. De bedoeling van het programma was om de dialectsprekende Vlaming de Nederlandse taal bij te brengen, niet alleen qua uitspraak, maar ook inzake woordkeuze, intonatie en zinsbouw. De kijkers kregen 973 afleveringen lang taaltips met een knipoog. Ook de generiek viel op door een leeuwtje in animatievorm dat een landkaart met de taalgrens openrolt… Kwestie van visueel te duiden waar Nederlands wordt gesproken.

Heimwee? Nostalgie? Helemaal niet… ook al is het leuk om op YouTube nog eens enkele afleveringen te bekijken… Wel leerzaam! Vandaag dringt immers een nieuw taal door: digi-taal is onze nieuwe moedertaal. In de generiek van “Hier spreekt men Digi-Taal” zal geen leeuwtje te zien zijn dat een kaart van België uitrolt met de taalgrens maar wel een wereldkaart want de digi-taal is universeel en kent geen grenzen. Het is dé lingua franca van de toekomst die we moeten spreken en beheersen om mee te kunnen in onze samenleving, op onze arbeidsmarkt, in onze vrijetijdsbeleving, in onze huishoudelijke activiteiten… Het is zoveel meer dan de taal van de IT-techneuten maar de brug tussen de verschillende interesse- en interactiegebieden van ons leven. Digi-taal leert ons te begrijpen, connecteren, exploreren, groeien, innoveren,… Digi-taal opent zoals vreemde talen nieuwe horizonten, brengt je in contact met andere denkwerelden en biedt perspectieven om je met andere mensen, culturen, beroepen, passies, vaardigheden, … te verbinden.

Maar vandaag ontbreekt er een programma “Hier spreek men Digi-Taal” om deze taal zoals het Nederlands te leren spreken, verstaan en beheersen. Daardoor blijven we in de fase van het technologisch dialect steken en missen we een basisvaardigheid die in deze wereld essentieel is geworden. Hoe kunnen we ons immers staande houden in een omgeving die méér en meer gekenmerkt wordt door slimme en geconnecteerde toestellen en systemen… Hoe kunnen we de rijke, beschikbare informatie exploreren en exploiteren om er als samenleving op vooruit te gaan… Die vragen kunnen enkel een betekenisvol antwoord krijgen als we ervoor zorgen dat in het onderwijs deze nieuwe gemeenschappelijke taal wordt bijgebracht. Voor zij die het onderwijs al verlaten hebben zou de VRT misschien op de TV- en digitale schermen een nieuw programmareeks “Hier spreekt men Digi-Taal” kunnen uitzenden. Aan talenten om dit te presenteren is er geen gebrek en digitale viervoeters zijn ook te vinden!

In een recent artikel gepubliceerd in de Britse krant The Guardian stelt George Monbiot deze vraag: ‘Wie in de toekomst een job wil, moet zich zoveel mogelijk onderscheiden van een machine. Waarom wordt onze kinderen dan (op school) aangeleerd zich zo goed mogelijk te gedragen als machines?’.

Al van in mama’s buik hebben we het instinct om te verkennen, wat er rond ons gebeurt trachten we te begrijpen om hiervan te leren. Kinderen leren het gemakkelijkst wanneer de leermethode nauw aansluit bij hun natuurlijke uitbundigheid en nieuwsgierigheid. Dus waarom proppen we hen in rijen en klassen en rammen we nog steeds ‘ex cathedra’ grote hoeveelheden rauwe kennis in hun hoofden  alsof het nog 1920 is? Alsof elk kind nog steeds geprepareerd wordt om binnenkort in de fabriek, netjes op een rij en braaf luisterend naar de ‘voorman’, repetitief hetzelfde product te produceren? Dat was enigszins te begrijpen in een Tayloristische arbeidsverdeling waar taken tot in het detail werden afgelijnd en voorgeschreven, maar beantwoordt niet aan de VUCA-wereld van vandaag. Monbiot concludeert dan ook dat we vandaag tegen beter weten in vast zitten aan de ‘social engineering’ van een industriële samenleving in een post-industrieel tijdperk. En wat we momenteel vaststellen is dat, hoe minder relevant dit systeem wordt, hoe harder en strikter de regels moeten gehandhaafd worden en hoe meer stress deze veroorzaken. Wie niet gehoorzaamt wordt genadeloos uit het systeem verwijderd en is een vogel voor de kat.

De analyse die Monbiot voor Groot-Brittannië maakt is misschien niet zomaar te transponeren naar Vlaanderen, maar hij legt wel op een loepzuivere manier bloot waar het schoolschoentje ook hier nog al te vaak knelt. Ons schoolsysteem is al teveel gefocust op het volproppen van kinderhoofdjes met kennis waarvan een zeer groot deel achterhaald zal zijn op het moment dat zij de arbeidsmarkt moeten betreden. En als we kijken naar de bedrijven die vandaag succesvol zijn door zichzelf te blijven heruitvinden en de concurrentie steeds een stap voor te zijn, dan zijn het zeker niet de bedrijven waar enkel gedisciplineerd routinewerk verricht wordt. Wel in tegendeel, de competenties die deze bedrijven zoeken zijn niet zozeer technisch van aard, maar vooral generieke dingen zoals kunnen samenwerken om problemen op te lossen, out-of-the-box denken, kritisch nadenken, connecterende vaardigheden, zelfsturend vermogen,… Het zijn de 21e eeuwse vaardigheden die de fabrieksbaas van de vorige eeuw net zoveel mogelijk wou onderdrukken.

Dus hoe kunnen we de manier, waarop we onze jongeren opleiden, bijsturen zodat zij beter gewapend zijn voor het werken in de 21e eeuw? Wat mij betreft door hen veel minder te laten studeren en hen veel meer te laten doen. Er zit meer waarheid dan ooit in het gezegde ‘al doende leert men’. We moeten stoppen met onze jongeren in vierkante lokalen in rijen achter lessenaars te verbannen en hen de baan op sturen, naar bedrijven, naar verenigingen, de natuur in, naar het buitenland. Het onderwijs moet zoals Monbiot stelt aansluiting vinden bij de natuurlijke nieuwsgierigheid en uitbundigheid van jongeren. In plaats van “iets van buiten te leren” moeten jongeren vooral “buiten (de school) leren”.

Het duaal leren biedt in dit kader interessante perspectieven omdat werkplekleren in een onderneming een vast deel is van het leertraject. Jongeren die participeren aan dit duaal leren zullen niet enkel of zelfs niet zo zeer de juiste technische competenties verwerven maar ook beter dan in elke andere onderwijsvorm ook, de polsslag van de onderneming voelen en het belang ondervinden van het bezitten van de 21e eeuwse vaardigheden. Zij hebben bewezen dat zij twee à drie jaar hun weg weten te vinden in een bedrijf, dat zij de juiste werkattitude én leergoesting hebben verworven alsook de sleutelvaardigheden om in een snel veranderende omgeving wendbaar én weerbaar te zijn. Wil deze aanpak echt succesvol zijn, dan vraagt dat hechte partnerships tussen scholen en bedrijven gebaseerd op een gemeenschappelijke leer-strategie die toekomstbestendig is.

Overigens geldt dit niet enkel voor het duaal leren maar is een pleidooi op zijn plaats om jongeren, of ze nu in de tweede graad metaal zitten of een master jaar doen, tijdens het onderwijsparcours uit hun “onderwijskot” te laten komen en de echte wereld te laten verkennen in proefstages, werkplekleren, groepsprojecten, etc… Doen is immers het nieuwe leren!