U bent hier

Beginselen van goede arbeid

Om de doelstellingen van “met méér mensen langer en anders te gaan werken” te realiseren, moet de overheid de slagkracht hebben om een breed gamma van publieke en private actoren via allerlei samenwerkingsverbanden en multi-actorschapsformules te mobiliseren. Deze mobilisering moet wel op eenzelfde waardengedreven grondslag gebeuren. Dit vereist klaarheid over de spelregels, de ‘beginselen van goede arbeid’ die de toetssteen van de beleidsuitvoering uitmaken. Met de Nederlandse socioloog Ton Korver kan men stellen dat deze regels of beginselen de voorwaarden voor een “fatsoenlijke (arbeids)samenleving” moeten bevatten. Een fatsoenlijke samenleving wordt gekenmerkt door een respectvolle behandeling van de burgers door de overheid. Voor mij zijn er in dat verband een viertal essentiële normatieve uitgangspunten.

Vergroot de “capabilities” van (werkzoekende) werknemers:
Dit beginsel houdt in dat de arbeid zo moet worden ingericht dat deze structureel bijdraagt tot de verhoging van de capaciteiten (“capabilities”) van werknemers. De kerngedachte hierbij is dat arbeidsparticipatie een “essential functioning” in de actieve welvaartsstaat is, de beste waarborg voor actieve betrokkenheid en actief burgerschap. Arbeid vormt de onmiskenbare verbindingsschakel tussen het individu, de samenleving en de politieke gemeenschap. Daarom moeten arbeid en arbeidsparticipatie gericht zijn op maximale ontplooiing van de competenties van werknemers. Dit betekent dat arbeid een duurzame natuur heeft voor de burger waarin groeien, leren en competentieontwikkeling geïncorporeerd is.
Arbeid moet ook toelaten dat de participerende burger maximaal autonome keuzes kan maken inzake individuele ontplooiing, associatieve inschakeling, familiale zorgopname en politieke participatie. Dit vereist een soepel georganiseerd arbeidsbestel met “regels op maat”.

Waarborg de gelijke toegang van voorzieningen:
De arbeidsmarktvoorzieningen, moeten voor iedereen op gelijke wijze openstaan. Dit houdt meer in dan zomaar zorgen voor “gelijkheid van rechten” (formeel gelijkheidsbeginsel) en “gelijkheid van kansen” (procedureel gelijkheidsbeginsel) die gericht zijn op het bieden van een gelijke startpositie. Deze beginselen garanderen evenwel niet een reële, actieve gelijkheid en noodzaken dus de inzet en beoordeling van instrumenten vanuit het beginsel van de “gelijkheid van uitkomsten” (hulpbrongelijkheidsbeginsel). De georganiseerde dienstverlening moet dus de mensen gelijke uitkomsten bieden zodat de initiële “handicaps” zijn weggewerkt.

Verbeter steeds de positie van de minst kansrijken:
Voortbouwend op de sociale rechtvaardigheidstheorie van de rechtsfilosoof Ronald Dworkin heeft dit regievoorschrift als doelstelling dat de situatie van de minst kansrijken er altijd op moet vooruitgaan. Principes inzake participatie en insluiting houden in dat bij elke maatregel de situatie van deze groepen prioritair wordt bekeken. Een ongelijke werking van een maatregel is slechts te rechtvaardigen indien deze de positie van de minst kansrijken bevoordeelt t.a.v. andere groepen. Bij de toetsing van dit voorschrift in functie van een concrete maatregel moet niet enkel rekening worden gehouden met de sociale of maatschappelijke hinderpalen waarmee mensen in aanraking komen, maar ook met hun oorspronkelijke of zelf opgebouwde kapitaal, samengesteld uit de aangeboren aanleg en talenten, opvoeding, familiale achtergrond, gezinssituatie, materiële startpositie en sociaal-economische omgeving. Niet iedereen start immers met gelijke kansen.

Bevorder de evenredige participatie:
Gelet op de structurele achterstelling van sommige groepen zoals jonge allochtonen, personen met een handicap en ouderen, een achterstelling die geenszins terug te leiden is tot een louter scholingsprobleem, moet altijd het principe van de evenredige participatie als toetssteen worden gebruikt. De arbeidsmarkt moet een spiegel zijn van de samenleving. De bevordering van de evenredige participatie betekent niet enkel dat alle rechtstreekse en onrechtstreekse discriminatiemechanismes worden uitgeschakeld, maar ook dat de macht van de diversiteit tot op de werkvloer doordringt.

Doorheen deze principes speelt nadrukkelijk het gedachtegoed van Amartya Sen, Nobelprijswinnaar Economie en hoogleraar aan de Harvard Universiteit. Hij reikt met zijn Capability Approach het perfecte kader aan voor de waardegebonden fundamenten van de transitionele arbeidsmarkt en zelfs ruimer van een nieuw sociaal-economisch bestel. Zijn opvatting stelt de ontwikkeling van de persoonlijke vermogens en mogelijkheden centraal. Hij vraagt dat de publieke en semipublieke voorzieningen zo worden ingericht dat ze toelaten dat burgers hun competenties maximaal kunnen exploiteren. Amartya Sen betoogt dat arbeid zo moet worden ingericht dat deze structureel bijdraagt tot de verhoging van de ’capabilities’ van werknemers. Het verwerven van een passende job moet binnen eenieders bereik komen. Het rapport van de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid ‘Investeren in werkzekerheid’ merkt dan ook terecht op dat “in termen van arbeidsmarktinstituties het pleidooi van Sen neerkomt op meer activerende, mobiliserende en particpatiebevorderende instrumenten en niet louter financiële herverdelingsmechanismen”. Arbeidsparticipatie is de beste waarborg voor actieve betrokkenheid en actief burgerschap.

De beginselen van goede arbeid moeten hiertoe een kader bieden!