U bent hier

De rechten van de dopper

De rechten van de dopperOuderwetse blogtitel? Tja… hoe kom ik hierbij? Wel bij onze recente verhuis ontdekte ik een aantal vergeten spullen van mijn verleden. Zo stootte ik op het boekje “De rechten van de dopper. De wondere wereld van Werkloze Willy”, dat in 1978 werd uitgegeven door Wetswinkel Leuven in samenwerking met het Dopperskomitee Leuven. Ik was toen actief als secretaris van de Leuvense wetswinkel en me er zeker niet van bewust die ik later mijn weg zou maken in de wereld van arbeidsbemiddeling, beroepsopleiding en 'de dop'.

Dit boekje ademt duidelijk de tijdsgeest van toen uit – de oliecrisis en zijn gevolgen op sociaal-economisch vlak – en de manier waarop we als jonge linkse rakkers opkwamen voor de doppers tegen de sanctionerende RVA-bureaucratie en het ongenadig kapitalisme dat de arbeiders voortdurend slachtofferde voor méér winst. Een uittreksel ter illustratie:

“De laatste jaren is het kapitalisme weer eens flink onwel geworden en is het andermaal krisis geblazen. Op enkele jaren tijd zijn er in België, zelfs volgens de welgekende statistieken, zo’n 300.000 uitkeringsgerechtigde werklozen. Het reële cijfer ligt dus veel hoger: zo’n 500.000 of zowat 25% van de werkende bevolking. Alle trukken zijn immers geldig om het officiële werkloosheidscijfer te drukken. Zo bijvoorbeeld werd het brugpensioen uitgevonden zodat heel wat oudere werknemers van het ene schuifje naar het andere schuifje van de sociale zekerheid overgeheveld werden. Er werd ook een stageregeling uitgedacht waarbij werklozen als goedkope werkkrachten worden tewerkgesteld. Wie teveel of te lang werkloos is vliegt van de dop. Naar oude gewoonte zijn het weeral uitgerekend de slachtoffers van de krisis die er moeten voor opdraaien. Steeds voortschrijdende afbraak van sociale verworvenheden. Er is dan nog belasting op sociale uitkeringen, de solidariteitsbelasting, verscherpte kontrole aan de dop, een hagelslag van schorsingen”.

In “De rechten van de dopper” worden tegen die achtergrond vragen beantwoord zoals “Kan een zelfstandige doppen?”, “Je bent typiste, er is weinig werk en de baas vraagt je de grote kuis te doen. Je weigert en wordt ontslagen. Kan je doppen?”, “Je stempelt maar je zou graag een alternatief eethuisje beginnen. Na 2 jaar blijkt het een hopeloze zaak, kan je terug doppen?” “Je voelt je zo nutteloos, en de tuin van je schoonvader moet dringend omgespit worden of je vriend kan best een paar handen gebruiken om te verhuizen. Mag je uit je krammen schieten?” “Van overheidswege worden wervingsexamens ingericht. Kan de RVA je verplichten om eraan deel te nemen?” en “Mag je driemaal een job weigeren?”

Met de bril van vandaag op valt op dat heel wat van de gestelde vragen nog steeds actueel zijn om als werkzoekende je rechten en plichten te kennen in het doolhof van de werkloosheidsreglementering. Anderzijds hebben alle vragen van Werkloze Willy betrekking op deze reglementering; er is geen enkele vraag over arbeidsbemiddeling, begeleiding of opleiding. Slechts 15 van de ca 110 bladzijden van het boekje gaan over “activeringsbeleid” en dan nog quasi alleen over de toen ingevoerde “nepstatuten” zoals “tewerkgestelde werklozen”, “RVA-stage” en “Bijzonder Tijdelijk Kader”. Bemiddeling en opleiding waren toen duidelijk niet de beleidsprioriteit en behoorden niet tot de echte kernopdrachten van de RVA. Dat blijkt ook uit de inleiding waarin de toestand op de arbeidsmarkt anno januari 1978 wordt geschetst: 300.000 uitkeringsgerechtigde volledig werklozen in België voor slechts ca 11.000 vacatures op maandbasis en iets meer dan 100.000 vacatures op jaarbasis. Vandaag hebben we bij de VDAB 156.000 uitkeringsgerechtigd volledig werklozen voor bijna 20.000 vacatures op maandbasis en meer dan 280.000 op jaarbasis, en dat alleen voor Vlaanderen. Heel andere gegevens, dus. Tot slot valt op dat het boekje ook een – weliswaar beperkte en gekleurde – analyse bevat over de werking van de arbeidsmarkt met een beschrijving van de primaire en secundaire arbeidsmarkt, de beperkte tewerkstellingskansen van “vrouwen, vreemdelingen, gehandicapten, ongeschoolde jongeren en ouderen” (de doelgroepbenamingen zijn veranderd maar “nihil novi sub sole”) en de systematische uitstoot van ongeschoolde arbeid.

Wat onthoud ik bij de herlezing van deze brochure? Vooreerst dat de werkloosheidsreglementering vandaag nog steeds een ingewikkeld juridisch kluwen is, alle harmoniserings- en actualiseringsoefeningen ten spijt. De opeenvolgende RVA-bazen hebben deze complexiteit meermaals aan de kaak gesteld maar zonder het gewenste gevolg. Daardoor moet er nog steeds teveel energie gestoken worden in de uitbouw en het onderhoud van de informatiemolen, energie die beter zou kunnen benut worden voor het heractiveren van werkzoekenden,… Verder is het duidelijk dat de focus nu veel meer ligt op het activeringsbeleid en dat – mede dankzij de regionalisering –
arbeidsbemiddeling, trajectbegeleiding en beroepsopleiding de overhand beginnen te krijgen op een unidimensioneel passief uitkeringsbeleid. Maar beide tendensen doen geen afbreuk aan het actualiseren en het expliciteren van de “rechten van de dopper”. Dat gebeurde inmiddels gelukkig met het decreet houdende het Handvest van de Werkzoekende en de VDAB-Garantiekaart inzake dienstverlening voor werkzoekenden. Beide initiatieven leggen de nadruk op de re-integratie, de uitbouw van een kwalitatieve dienstverlening inzake bemiddeling en opleiding en de erkenning van verworven competenties. Ze worden mee vorm gegeven door de sluitende begeleidingsaanpak die vandaag een recht op begeleiding en bemiddeling waarborgt voor elke werkzoekende. Bovendien zijn er de laatste jaren heel wat bijkomende opleidingsmiddelen gekomen die quasi het recht op opleiding verzekeren. Dat maakt dat werkzoekenden vandaag op een ondersteuningsinstrumentarium kunnen terugvallen zoals nooit tevoren het geval was. Hiertegenover staat dan wel de plicht om deze ondersteuningskansen voluit te grijpen. Werkloze Willy is niet meer, Werkzoekende Wesley kwam in zijn plaats!