U bent hier

Recht op rechten

boekomslag Taking rights seriously“Taking rights seriously”, zo luidt de titel van het meesterwerk van de Amerikaanse rechtsfilosoof Ronald Dworkin. Hij gaat in zijn werk na wat de best mogelijke conceptie van recht is. Hoe wordt het recht het best ingericht? Wat verzekert de legitimiteit van recht? Dworkin hanteert daarbij twee criteria. Het eerste criteria is de verklaringskracht: hoe beter je recht en rechten maatschappelijk kan verklaren, hoe beter het rechtssysteem. Het tweede criterium betreft de rechtvaardigheidskracht: naargelang er betere politiek-filosofische en ethische argumenten kunnen gegeven worden voor het rechtsysteem, zal de grondslag van het recht sterker zijn.

Deze benadering over de best mogelijke conceptie van recht(en) is vandaag grotendeels afwezig in het activerend arbeidsmarktbeleid. Dit beleid krijgt quasi uitsluitend vorm via politieke afsprakenkaders, vaak overlegd met de sociale partners, én de toekenning van financiële middelen. Politieke doelstellingen én middelen sturen dus de richting en inhoud van het activeringsbeleid. Een treffende illustratie vormt de sluitende aanpak van werkzoekenden. Het beleidskader stelt als doelstelling voorop dat elke werkzoekende begeleiding op maat moet krijgen vanwege de VDAB en dit in functie van de individuele positie van de werkzoekende op de hitparade van de arbeidsmarkt alsook diens zelfsturingsvermogen. De werkzoekende wordt dus, afhankelijk van zijn arbeidsmarktprofiel en behoefte, geholpen met een lichte bemiddeling, een intensief bemiddelingstraject of een intensief begeleidingstraject.

Lichte bemiddeling start onmiddellijk na de inschrijving voor zelfredzame werkzoekenden via gebruik van automatische matchingstools, eventueel aangevuld met éénmalige bemiddelingsacties. Een intensief bemiddelingstraject start op na een individueel contact (face-to-face, telefonisch of per e-mail) als er vastgesteld wordt dat er meer opvolging en ondersteuning nodig is op het vlak van solliciteren en zoekgedrag naar werk. Na de opmaak van een actieplan - waarin de afspraken/engagementen van de werkzoekende én de consulent worden vastgelegd - wordt hierbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt van een optimale kanalenmix (face-to-face, telefoon, e-mail, SMS, individuele en collectieve acties). Bij een intensief begeleidingstraject worden er belemmeringen vastgesteld die een remediërende actie vragen (vb. nood aan opleiding, werk-welzijnsbegeleiding ingeval van armoede, zware sociaal-psychische problemen enz...). Werkzoekenden die na 9 maanden nog geen nieuwe job vonden én nog niet startten met een intensief aanbod (bemiddeling/begeleiding) worden sowieso opgenomen in een intensief begeleidingstraject.

Het nieuwe begeleidingsmodel heeft een gunstige invloed op een sneller eerste contact met de werkzoekende waardoor vlug na de inschrijving kan nagegaan worden wat het meest passende traject naar werk is voor de werkzoekende. Dit “sluitend maatpak” leidt ook tot een snellere bemiddeling naar werk waardoor consulenten niet langer meer standaard opteren voor uitgebreide trajecten maar kiezen voor zo kort mogelijke acties op maat van de klant… met duurzaam werk als perspectief.

Ook al heeft deze nieuwe aanpak positieve resultaten, toch moeten we ons de vraag durven stellen of zo’n individueel gericht model op een juiste manier subjectief afdwingbare rechten garandeert in hoofde van de werkzoekende. Hoe kan de werkzoekende zijn recht op aangepaste begeleiding doen gelden? Heeft de werkzoekende die er echt nood aan heeft, recht op opleiding of omscholing? Kan hij de VDAB aanspreken op ondersteuning? Kan hij ergens zijn “geschonden” rechten verhalen?

Rechten die niet afdwingbaar zijn, doorstaan in de woorden van Dworkin de toets van verklaring én rechtvaardiging niet. Hoe kan een concrete begeleiding die voorbijgaat aan de individuele noodzaak van de werkzoekende, door de werkzoekende begrepen worden én als juist worden ervaren? Hij heeft immers geen afdwingbare rechten die zijn legitieme aanspraken kunnen “hard maken”. Hoe kan hij bijvoorbeeld ook begrijpen dat zijn begeleiding niet wordt verder gezet terwijl dit voor andere werkzoekenden wel gebeurt. Bovendien hypothekeert deze afwezige “rechten”-benadering het “plichten-verhaal”. Als de rechten geëxpliciteerd en afdwingbaar zijn, is de logica dat de plichten dit ook zijn. In een activerend arbeidsmarktbeleid staat tegenover het recht op begeleiding én uitkering immers de plicht om actief mee te werken aan zijn (re)integratie op de arbeidsmarkt. Ook dat behoort tot een goede conceptie van recht. Transparantie omtrent rechten en plichten zodat de balans voor alle maatschappelijke stakeholders zichtbaar is, verstevigt de verklarings- en rechtvaardigingsgronden van deze rechtsconceptie.“Taking rights seriously” is “taking duties seriously”. En vanzelfsprekend gaat deze stelling ook op voor andere , “nieuwe” sociale rechten zoals het recht op levenslang leren, het recht op loopbaanontwikkeling of het recht op erkenning van verworven competenties. De “actieve welvaartsstaat” heeft dus nog wat juridisch werk voor de boeg!