U bent hier

Manager Steven

Na de terroristische aanvallen, vroegen al mijn collega’s van over heel de wereld -van Nieuw-Zeeland tot Saudi-Arabië-  of mijn familie, collega’s en ikzelf oké waren. Ze waren in shock en konden niet begrijpen dat ik in Brussel wil blijven wonen.

In de internationale zakenwereld wordt Brussel stilaan het échte lelijke eendje. Vroeger was het vooral een lelijk hebbeding omdat het vuil en slordig is, onbegrijpbaar en moeilijk bereikbaar. Maar je kon er toch een bepaalde sympathie voor koesteren als je er een poosje mee samenleefde en het wat beter begon te begrijpen.

Maar het het imago van een sluikse underdog die liefde opwekt, is nu veranderd in een gevaarlijke bijtende bulldog. Een gedaantewisseling die een negatievere impact heeft en van langere duur kan zijn dan vele politiekers laten uitschijnen.

Ik spreek op basis van mijn dagdagelijks ervaring met Japanse en Amerikaanse multinationals. Door de aanslagen geldt er in veel buitenlandse bedrijven nog steeds een totaal reisverbod naar België. België zit in dezelfde risico-categorie als Israël. Dat is een blaam voor Israël: ik denk dat het in Tel Aviv veiliger is dan in Brussel omdat er daar al jaar en dag een strikte controle plaatsvindt.

En geloof het of niet: door ons verminkte ‘Maalbeek’ mogen wij van ons bedrijf niet eens meer het openbaar vervoer gebruiken om binnen België op zakenreis te gaan. Te gevaarlijk!

Vroeger ontmoette ik af en toe buitenlanders die het metrostation ‘Maalbeek’ verwarden met de Libanese streek ‘Malbec’. Een vreemde maar rake vergelijking. Er is op beide plaatsen een clash van verschillende culturen, overgoten met een religieuze saus die ze vervolgens flamberen. Misschien is dit de reden waarom de islamitische fundamentalisten net dit metrostation uitkozen.

Niet alleen de fysieke terreur, maar ook de mentale terreur van onveiligheid heeft zware gevolgen. Ons kantoor in Brussel heeft een negatieve stempel gekregen en dit zet een domper op onze activiteiten. Wij mogen bijvoorbeeld geen internationale conferenties meer organiseren. De conferentie die bij ons gepland was is nu verplaatst naar Düsseldorf. En we kunnen geen projectvoorstellen meer maken voor Belgische investeringen omdat we ‘te risicovol’ zijn. Dit leidt ertoe dat ons kantoor een stuk macht verliest.

Kunnen we die Japanse en Amerikaanse multinationals laten behandelen voor paranoia? Ik vrees dat dit weinig zal uithalen. Zij beschouwen ‘dokter Brussel’ net als de zieke patiënt die behandeld moet worden.

Een van onze zusterbedrijven heeft de koe reeds bij de horens gevat. Hun kantoor in Brussel wordt gesloten en verhuist naar Vlaanderen. Ook wij zijn al een tijd van plan om te verhuizen. Vroeger was het centrum van Brussel een optie, maar nu is er hier meer dan een beetje twijfel over.

Ik ben al 30 jaar een Vlaamse Brusselaar, maar nu voelt Brussel voor mij als een ex-lief aan. Ik voel er wel nog iets voor maar steeds minder en minder na een hele reeks ruzies en bedriegerij. Er is nog iets, maar meer en meer niets.

 

In augustus had ik professioneel mijn hoogtepunt van het jaar, maar ondertussen is het mijn grote ontgoocheling van 2015. Van een mooie, fladderende vlinder naar een kruiperige rups! Van een metamorfose naar 'retro'-morfose.

Ik werd in augustus -samen met dertig andere collega's die afkomstig waren uit de hele wereld- uitgenodigd naar Londen voor een intensieve training over 'bedrijfsinvesteringen in Afrika'. De training werd gegeven door Oxford universiteit. Het was net alsof we op retraite waren. Opgesloten in een prachtige aula, de ene boeiende presentatie na de andere en daarna afsluiten met een gemeenschappelijke lunch. In de namiddag hadden we groepssessies waarin we brainstormden en onze resultaten en plain public moesten verdedigen bij het topmanagement. 

Iedere dag werden we wat meer Afrikaans en van de 30 losse mensenblokken werd naar het einde van de week een stevige zendingspost gebouwd die alle woestenijen van het zwarte continent konden weerstaan. De meeste deelnemers waren laaiend enthousiast over de nieuwe inzichten en kennis, de nieuwe ideeën en strategieën van ons bedrijf en het gevoel dat het topmanagement in ons geloofde als toekomstige ontginners van het zwarte goud.

Met volle moed vlogen we terug naar onze thuisbasis en gingen met een zak vol nieuwe projecten aan de slag. De beginfase van de opvolging verliep al stroef. Het verzoek om een taskforce team op te zetten, gingen ze later bekijken. Mijn drang om een duidelijke structuur op te zetten en concrete verantwoordelijkheden te leggen bij ieder persoon, deed bij heel wat mensen aan de top maar ook bij een aantal deelnemers de wenkbrauwen fronsen. Mijn eerste voorstel om een project op te zetten in Tanzania werd een doodskreet van een wildebeest in de Serengeti.

Ons bedrijf heeft zoveel geld betaald voor de training, en nu blijkt dat het in een bodemloze put gestort is. Ik heb deze ervaring zo dikwijls en word er moedeloos van. En soms ook heel cynisch, beweren mensen uit mijn omgeving. 

De kampioenen zijn sowieso de politiekers. Om de zoveel dagen slaan ze ons om de oren met nieuwe wetten en maatregelen. In verband met hun goede bedoelingen kan je in de politiek dikwijls vraagtekens plaatsen. Over de juiste uitvoering ervan moet je bijna altijd een vraagteken plaatsen. Doordat de levensduur van de bedenkers redelijk kort is, verkondigen ze alles holderdebolder. De implementatie zullen ze dan wel later regelen.

De vicekampioen, die heel dicht aanleunt bij de politiek, is het bedrijfsleven. Nieuwe bazen staan synoniem voor nieuwe slogans en nieuwe strategische wendingen. Veranderen om te veranderen want als nieuw baasje heb je het nu een tijdje voor het zeggen.
Hier is de motivatie van de goede bedoelingen in eerste plaats 'persoonlijk belang'. In de politiek eerder van groeps- of partijbelang. Nieuwe bazen willen bewijzen dat ze beter en vooral anders zijn dan de vorige. Ze weten vaak amper waarover ze spreken en vallen daarom terug op vorige recepten en ervaringen die in hun vorig werkleven wel levensvatbaar waren.

Ook in ons persoonlijk leven hebben we een overdaad aan uitverkoren bedoelingen en goede voornemens. Zeker in het begin van het nieuwe jaar. Minder hooi op onze vork nemen, meer sporten, minder ongezond leven, nieuwe uitdagingen aangaan en vooral: liever zijn voor onze medemens. Hopeloos en ongeloofwaardig.

Ik wens jullie een 2016 met 1 of 2 goede voornemens, maar dan wel met een een perfecte realisatie ervan, zonder enige excuses waarom het net niet lukte. Ik ben er rotsvast van overtuigd: je zal er zelf zoveel gelukzaliger door worden en de andere mensen zullen zoveel meer bewondering voor je hebben.

Het einde van het werkverhaal van oudere werknemers doet me dikwijls aan een ouderwetse kippenboerderij denken.

Zolang je als haan in vuur en vlam de hennen goed kan bespringen en de kuikens beschermt tegen rovende eksters, ben je de koning! En zolang je -als hen- dagelijks een ei met een dikke schaal legt en voldoende geduld hebt om je eieren uit te broeden, krijg je graan met hopen! Maar voldoe je niet meer aan de strenge verwachtingen van kiekenboer Kamiel, dan heeft hij geen medelijden en kost het je je kop. Je eindigt je carrière als kippenvoer of in het beste geval als vol au vent.

Niet alleen de boer is meedogenloos: de grootste afslachtingen en vernederingen, mag je van je medesoort verwachten. Als oudere haan, moet je met de andere hanen een gevecht aangaan dat kan leiden tot leven of dood. Blijf je leven, dan heb je maar één optie: een desolaat en solitair leven accepteren waarin je geen pieren meer mag wegpikken voor de bek van de nieuwe leider en vooral: waarin je geen aanstalten meer mag maken om een van de kipjes onder je vleugels te nemen. De hennen gunnen je trouwens geen scheef oog meer ondanks de 1001 wilde vrijpartijen van de romantische jaren ervoor. Ze aanbidden van de ene dag op de andere hun nieuw baasje.

Ben je een bomma-hen, dan doen de jongere kippen er alles aan om je een trap lager te plaatsen in de pikorde. Bovendien word je stap voor stap uitgehongerd. Je kan als oude moederkloek enkel de resterende maïskorrels verorberen als de rest geen honger meer heeft. De laatste episode voor je als uitgemergelde kip op pensioen gaat, is het dagelijkse gehoon-gekakel van de andere kippen die nog eieren produceren en op je willen ‘kakken’. Op je afscheidsreceptie pikken ze je als een weerloos slachtoffer dood en verorberen je met plezier. Als souvenir bewaren ze een paar van je mooie lang gekoesterde rosse pluimen. Het erge is dat ze die in hun eigen achterwerk proberen te steken om ermee te pronken bij hun nieuwe idool.

Is het belachelijk om oudere werknemers te vergelijken met kippen? Verdomme, neen. Hoeveel mensen hebben een mooi einde van hun loopbaan? Ze zijn in veel bedrijven op één hand te tellen. Ik heb er in ieder geval weinig ontmoet.

Toevallig maken twee van mijn collega’s momenteel zo’n ‘kieken-uitrangeer’-moment mee. Ze zijn 63 en 64, en werkten allebei meer dan 40 jaar voor dezelfde onderneming. Ze verliezen stap per stap hun bevoegdheden, voor belangrijke meetings worden ze niet meer uitgenodigd en ze krijgen geen training meer omdat dit als verloren geld beschouwd wordt. Onze bedrijfsleiders zijn echter niet de enige boemannen. Mijn jongere collega’s zijn even erg: ze lachen met de oude ‘peetjes’ die niet meer op dezelfde hoge golven kunnen surfen. Van hun bazen konden ze dit nog verwachten, maar van hun directe collega’s niet. Deze uppercuts moeten dan ook extra hard aankomen. Ze zijn er niet tegen gewapend en daarom doen ze zoveel meer pijn. En dan heb je nog de grootste lijkenpikkers: collega’s die hun verantwoordelijkheden en job overnemen. Die nieuwe ‘high potentials’ willen bewijzen dat hun voorgangers hun job verkeerd, inefficiënt en met weinig toekomstvisie hebben aangepakt. Daarna verpakken ze de mooie realisaties van de vorige personen in een ander kleedje en vervangen gewoon het naamplaatje.

Ik vind dit zo ondankbaar en dierlijk. Maar raar maar waar: het is 100% menselijk.

Er zijn maar twee groepen die dit lot niet moeten ondergaan. Om te beginnen de personen die helemaal op de bovenste stokken van de kippenren zitten. De top-haan zal altijd top-haan blijven omdat hij alle hanengevechten heeft willen aangaan en tot bloedens toe steeds heeft kunnen winnen. Die vechthaan zal wel meer dan haantjesgedrag moeten etaleren. Daarnaast heb je de medewerkers die zich altijd vol plezier onderaan hebben genesteld. Als je kiest voor de zekerheid van de koffiedame Arabelle zal je tot het einde van je dagen respect krijgen van de werkenden. Je bent niemands gevaar als dienster en vooral: niemand lust die groene wormen die jou in de zevende hemel brengen.

Ik kreeg uit Dubai een romantisch ontworpen kaartje om me veel sterkte toe te wensen en om een gelukkige ramadan te beleven, samen met mijn familie. Het gaf me een kriebelend gevoel. Wellicht hetzelfde gevoel dat wij oproepen als we kerstkaartjes op de bus doen naar mensen die Kerstmis niet onder de kerstboom vieren.

Ik voel als niet-moslim meer en meer het belang van de ramadan in de internationale zakenwereld. Het hele bedrijfsleven draait in die periode al heel vlug op een veel lager pitje. De bedrijven waarmee we samenwerken draaien op heel beperkte capaciteit, beslissingen en projecten worden uitgesteld, meetings kunnen niet plaatsvinden en telkens komt het magische woord ‘ramadan’ als verklaring.

Tijdens de ramadan krijgen we ook van al onze bedrijfskantoren uit de Arabische wereld boodschappen om ons op de hoogte te brengen van de andere werkuren. De meeste van onze Arabische bedrijfsbroeders houden het rond 15 uur voor bekeken op het kantoor en gaan terug naar huis om het avondmaal bij zonsondergang af te wachten.

In landen als Turkije moet elke werknemer meedelen aan zijn baas of hij al dan niet meedoet aan de ramadan. In ons kantoor in Istanbul was ik getuige van een verhitte discussie onder een aantal collega's. Enkele werknemers die niet participeerden, wilden ook een uur vroeger naar huis omdat ze tijdens de lunchperiode doorwerkten. Maar dat mocht niet volgens de moslims die wel de vastenreiniging ondergaan. De flexibele uurregeling is enkel weggelegd voor de echte moslims, aldus de praktiserende.

Ik was verrast te zien dat slechts de helft van ons Turks kantoor meedoet aan de ramadan. Blijkbaar zijn het vooral de minder opgeleide mensen en vooral arbeiders met de zwaarste arbeidsomstandigheden die plichtsgetrouw de hele dag niet eten of drinken. Voor mij is het niet te begrijpen dat een godsdienst mensen die aan machines staan bij weersomstandigheden van 35 à 40 graden kan opleggen om geen glas water te drinken. Dit is geen reiniging van je lichaam maar een vergiftiging van je eigen bloed, en dat zal ieder medisch onderzoek kunnen bewijzen. Een mens is toch geen kameel die dagen lang zonder drinken kan gelukkig zijn! Een mens is maar een mens, ook in de moslimlanden.

Zelf haatte ik als kind ons katholiek vasten hartstochtelijk, want dan moesten we vanaf Aswoensdag al onze koekjes en ons snoep in een doos bewaren tot het paaszaterdag was. De enige boodschap die ik van deze ‘genots’-lastering heb meegedragen in mijn leven nadat ik iedere keer met slecht geworden koekjes werd geconfronteerd op die verdoemde zaterdag: geniet van de goede dingen wanneer ze zich aanbieden, want de eerste moet nog komen uitleggen dat het paradijs lekkere deegkoekjes zal aanbieden.

Onlangs was ik uitgenodigd op een reünie van 10 mensen waarmee ik 30 jaar geleden afstudeerde. We hadden elkaar in die lange periode nooit meer teruggezien.

Toen we samen studeerden, waren we in onze prille twintigerjaren. We feesten vele nachten samen en maakten toekomstvoorspellingen over ons leven en onze professionele carrière. Nu, 30 jaar later, was ik erg benieuwd om te zien wat er van al die dromen in huis was gekomen.

Het was heel vreemd -zelfs choquerend- om vast te stellen dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Blijkbaar verandert je karakter na je twintigste niet meer echt en is het erg dominant voor je latere levenswandel.

Ik merkte dat de mensen die als student al heel ambitieus waren, dat nog altijd in grote mate zijn. Dat de rustige Limburgers van toen, nog altijd in de purperen heide fluiten. Dat de zachtaardige mensen nog steeds hun hart van goud hebben. En dat de mensen die vroeger venijn in de staart hadden, jammerlijk genoeg nog altijd dat donkere kantje in hun kleurenpallet hebben.

Ook hun interesses, bleken niet echt veranderd in de loop der jaren. De ene was geobsedeerd door de bouwwereld en is dat 30 jaar later nog altijd. De andere was fanatiek alternatief en is nu nog steeds apetrots op zijn anders zijn. Hij is nog altijd volop bezig met de andere mensen te bekeren. En de flamboyante levensgenieter van toen is nu een succesvolle wijnhandelaar geworden.

Voor mij is dit het zoveelste bewijs dat de opleiding die je volgt, iets betekent, maar lang niet alles bepaalt. Externe factoren zoals het al dan niet behalen van het juiste diploma, moeten vaak het onderspit delven ten opzichte van de uiterlijke of innerlijke kenmerken van een persoon.

Zo ben ik er rotsvast van overtuigd dat een juiste smoel hebben meer waarde heeft dan het al of niet met onderscheiding afstuderen. De vrouw met de juiste aimabele look zal niet zelden bovenaan de pikorde staan. En een middelmatige man die vol zelfvertrouwen in zijn pak zit, zal meer bagage kunnen pretenderen dan de sjofele baardige intellectueel.

Ook het innerlijk is doorslaggevender dan het juiste diploma. Mensen met een ongetemperde innerlijke gedrevenheid, zullen met meer dan tien armlengtes voorsprong de finish halen in vergelijking met personen met een timide en gesloten filosofie. De hoeveelheid drive die mensen in zich hebben, bepaalt of ze achter het stuur zitten of niet.

Aangezien de aard van het beestje niet sterk verandert, vrees ik dat het al van in je studententijd in de sterren geschreven staat welk professioneel leven je later gaat hebben. Je kan je visitekaartje iets meer kleur geven maar de opgeslagen informatie op de datachip ligt al op jonge leeftijd vast. En het is vooral die chip die gelezen wordt door de werkgevers.

Jammer, maar de wet van de jungle is de wet van de werkvloer.

Nu we bij de dagen van eten en drinken beland zijn, heb ik de reflex om niet meer te eten. Een soort kerstvasten of eindejaarsramadan. De reden van mijn eetstaking is zeker niet gebaseerd op een orthodox toepassen van een religieus 'maag-celibaat'. Nee, het is gewoon omdat ik de laatste maanden een opeenstapeling van zakendiners had.

Beroepshalve op restaurant gaan, heeft een gouden aureool voor mensen die het niet kunnen of mogen doen. Maar meestal is het een doornenkrans voor de mensen die het moeten doen.

Een zakendiner begint meestal met de selectie van de mensen die je gaat uitnodigen. Ik ken een consultingbureau waar de baas als een bullebak tekeergaat als ik met een van zijn collega's wil gaan lunchen. Nodig ik hem zelf uit, dan zegt hij toe, maar als ik dan de tafel geboekt heb, annuleert hij bijna elke keer. Waarom zou ik hem nog mee uitnemen als hij zijn kat stuurt? Of -in het beste geval- een van zijn lievelingen binnen het bedrijf waar ik mijn soep niet graag mee deel. Opgepast dus: invitaties versturen is een halszaak. Vooral de ‘niet-invitaties’ kunnen veel schade aanrichten.

De volgende stap is: welk soort keuken, en welke categorie sterrenzaak kies ik? Sommige aankopers die ik ken, koketteren met de Michelinsterren die ze neergehaald hebben op de kosten van diegene die hen uitnodigde. Een West-Vlaamse bejaarde aankoper stelde me ooit voor om na een geslaagde meeting op vrijdag te gaan eten bij een van zijn favorieten: ‘Het Konvent’. Ook al klonk de naam van het restaurant heel christelijk, de rekening was duivels: 780 euro voor 4 personen op ons conto! Als je met dergelijke profiteurs gaat eten, besteed je best aandacht aan de prijs van de fles wijn die je bestelt. Hoe duurder, hoe meer je hun ijdelheid streelt, ook al is die fles van 150 euro goed voor de pompsteen.

Bepaalde culturen zoals de Japanse, Iraanse, Turkse of Indische beschouwen zakenlunches als een promotie voor hun land. De zakenmensen zijn zo trots op hun manier van tafelen, dat ze dit willen delen met hun gasten. Niet zelden zijn deze eetmomenten leerrijke en warme ervaringen omdat ze nationale kennis willen delen. Ze staan erop dat je alles proeft, stouwen de tafel vol met alle mogelijke lekkernijen en laten alcohol aanrukken die alle gereserveerdheid doet verdampen. Een zakendiner is een graadmeter van de gastvrijheid van een volk.

In positieve zin, maar ook in negatieve. Zo zijn er landen waar er nauwelijks wordt getafeld. Vorige week nog maakte ik een meeting mee in Frankfurt die gepland was om 12 uur. We dachten dat het een lunchmeeting was, maar dat was buiten de Duitse waard gerekend. De bespreking in de hotellounge duurde van 12 tot 15 uur en we kregen welgeteld 2 glazen water geserveerd. Scandinavië heeft gelijkaardige tafelmanieren. Hun koelheid straalt uit rond de tafel. Gek genoeg zijn dit wel vaak de zakenpartners die sloten bier van vat kunnen veranderen.

Zakelijk lunchen heeft iets intiems. Voor zakenpartners die zich niet willen bloot geven, is het een te intiem moment. Voor de anderen biedt het kansen. Het is fijn om te zien hoe mensen plots openbloeien bij een stukje wilde fazant, terwijl ze rond de vergadertafel een koele gesloten mossel waren.

Intiem zijn kan wonderen verrichten in deze wereld!

kapperIk ben een man die om de twee maanden zijn haar laat knippen in een Marokkaans-Brussels etablissement. Gisteren was het weer zover.

Zo’n kappersbezoek is iedere keer een halfuur-durende citytrip in Noord-Afrika. Vroeger had ik culturele drempelvrees om mij te laten pluimen door een Marokkaanse kapper, maar die heb ik ongeveer 10 jaar geleden overwonnen. En ik heb er nog geen kapbeurt spijt van gehad. Over het resultaat van mijn coupe zijn de meningen echter versneden. :-)

In een Marokkaanse kapperszaak hangt totaal geen verwijfde sfeer zoals in veel Vlaamse zaken. Je hebt een snor en baard in de keel nodig om je mannetje te kunnen staan. Als je binnenkomt, liggen de kappers -meestal zijn ze met twee- als echte hangjongeren op hun zetels te wachten. Ondanks hun macho-houding boezemen ze geen angst in. Ze heten je met de grootste vriendelijkheid welkom, springen vol arbeidsgeestdrift recht en tonen je de weg naar de kappersstoel.

Het is er nooit superproper en afgelikt, maar ook niet echt vies. Ik hou het op ‘exotisch gekuist’. Het interieur is zelden compleet. Altijd zie je iets dat afgekraakt of gebroken is, weg is of nog moet geïnstalleerd worden als god het belieft. Maar het geheel straalt wel iets uit.

De kapperszaak van gisteren had vier gigantische zilveren handbewerkte spiegels. Dat creëerde een aquariumgevoel. Alles wat in het salon gebeurde was zichtbaar door de reflectie van de spiegels en het gigantische venster aan de straatkant. In het aquarium zwommen geen vissen, maar er waren wel drie helgele kanaries. Ze hadden elk een kooi, maar de deurtjes stonden open. Ze mochten naar eigen believen rondvliegen en hun poepjes laten vallen waar ze er het minst last van hadden. Ook in de lavabo’s waar foto’s hingen van stoere Arabische mannelijke mannequins met witte keutels op hun hoofd.

Ook al geef je advies en kilometerslange richtlijnen hoe je je kapsel wilt: het resultaat is altijd weer anders. Ik vertelde de kapper dat de vorige knipsessie een groot succes was bij mijn vrouw. Ik gaf duidelijke snijlijnen die ik met handen en voeten omschreef. De enige repliek, die ik kreeg met een ondersteunende glimlach van hier tot in Casablanca, was: “Pas de problème, mon frère, c’est comme ma coiffure!” Dus ja, ik liet hem maar doen...

Met volle concentratie vloog hij met de schaar door mijn bruine haren. Dat was iets speciaals voor hem, want in 99% van de gevallen zijn het zwarten haren die het onderspit moeten accepteren. Ik merkte als snel dat hij meer was dan een ‘knipper’. Hij was niet alleen manueel handig, maar ook geestelijk polyvalent. Tijdens de 30 minuten dat ik op de stoel zat, kwamen er meer dan 10 mannen binnen- en buitengevlogen. Echt een duivenkot. Mijn kapper Hassam was de entertainer, psycholoog en adviseur van al zijn broeders. Het kwam er op neer dat hij meer babbelde dan knipte.

Meestal in een mengeltaaltje Arabisch-Brussels Frans ondersteund door veel gekus en handgeklap. Ik was een buitenstaander, maar toch vroeg Hassam me met een glimlach: “Et ça va?” en legde als blijk van medeleven een hand op mijn knie. Af en toe riepen giechelende Marokkaanse meisjes iets door de deuropening. De mannen werden hierdoor zo opgehitst dat alle activiteit tijdelijk stilviel.

Nadat Hassam voor de laatste keer met de kam door mijn geknipte haar ging, wou hij er nog per se gel in wrijven. Alle Marokkaanse kappers doen dat. Voor hen is gel een must om op straat te mogen verschijnen. Toen ik hem een 10-voudig compliment gaf en zei dat ‘mon grand frère’ een echte artiest is, was hij zo trots. Zijn gelukzalige glimlach toen ik hem 10 euro gaf en wat drinkgeld, bleef me nog een hele tijd bij.

Ik zou hetzelfde relaas willen schrijven over mijn Aziatische werkplaats. Ook daar zou een warme, losse, mogelijks minder efficiënte maar frivole arbeidsethiek tot fantastische resultaten kunnen leiden. Maar de sfeer is er net het tegenovergestelde. Bij ons heb je opgezette kanaries die in verzegelde kooitjes zitten, want met ‘netheid in je hand kom je door het Japanse land’!

DuiventilWat doe je als medewerker als je bazen komen en gaan zoals in een duivenkot? Volgende week krijgen we op onze afdeling de zesde Japanse baas in 12 jaar. Ook deze keer rechtstreeks geleverd uit het Japans hoofdkantoor en opnieuw omschreven als een godenkind waarvoor we heel dankbaar moeten zijn dat we hem boven ons mogen ontvangen.

De nieuwe baas weet niets af van onze jobs en heeft ooit op school iets over Europa geleerd, maar België is jammer genoeg een zwart gat. Met Europese mensen heeft hij nog nooit samengewerkt laat staan dat hij ze geleid heeft of gemotiveerd. Maar toch, Mr Ueno is onze Messias!

Dit is typisch Japans. Japanse bazen zijn vaak ‘voorlopige elementen’ in een bedrijfsstructuur. Net als politiekers. Die zijn ook uit- en inwisselbaar zoals je van onderbroek kan veranderen. Welke Japanner carrière maakt, wordt zoals in een politieke partij beslist door een beperkt groepje van mensen. Of door de partijvoorzitter die de leden van zijn clan mee naar boven trekt. Wie waar komt aan de top, wordt bepaald door de vriendenreflex: jij krabt mijn rug dus ik die van jou. Weinig democratisch en transparant.

Hoe dan ook: het echte lijf in het lichaam van een onderneming, is het middenkader. Het zorgt samen met de andere medewerkers voor de dagelijkse continuïteit.

Als middenkader moet je leren leven met die nieuwe baas boven je die zijn stempel en voetsporen wil zetten in zijn nieuwe omgeving. Meestal moet alles totaal anders zijn dan bij zijn voorganger, hoe sneller hoe liever. De nieuwkomer verschuift medewerkers van positie en probeert zo een tijdelijke clan te vormen waarmee hij zijn naamkaartje zo mooi mogelijk wil inkleuren. Met dit kaartje probeert hij dan zo snel mogelijk een stapje hoger te zetten in de Japanse pikorde. De zaken die hij realiseert zijn doorgaans strovuur. Ze branden snel en hevig in het begin, maar doven snel uit en laten alleen wat verloren as over.

Mijn dilemma: hoe reageer ik als niet-Japanner iedere keer weer op die nieuwe kop op het bedrijfslichaam? Ik heb het in ieder geval opgegeven om goede vriendjes te worden met die wisselende bazen. Ik start vanaf het begin vanuit mijn eigen sterktes en zwaktes, mijn eigen territorium en vooral mijn eigen stijl. Tijdens de eerste maanden gebruik ik een aantal hulpmiddelen en drempels om mezelf en mijn medewerkers te beschermen. Om nee te durven zeggen en om mijn grenzen niet te overschrijden. Af en toe schud ik eens aan de kersenboom om te zien hoeveel fruit ik kan oogsten in mijn mandje. Ik kijk hoe zwaar of hoe licht de nieuwe baas weegt. Dat wordt me niet altijd in dank afgenomen maar in ieder geval schept het duidelijkheid voor mij en hopelijk ook voor Mr Ueno.

Andere collega's acteren als windhanen of lobbyisten. Nog andere proberen de slimste van de klas te zijn, zijn supervriendelijk of negeren de nieuwe baas volledig.

Wat de beste strategie is? Ik weet het niet. Dat hangt vooral af van je eigen karakter. Ik probeer als ‘duivenmelker in mijn kantoor-til’ vooral zorg te dragen voor de goed kwekende duiven en staar me niet blind op die ene prijsduif. Die zijn toch steeds gaan vliegen en je weet nooit waar ze uithangen, laat staan wanneer ze terugkomen.

bitchIk weet dat ik op gevoelige feministische krultenen kan trappen maar ik stelde me deze week de volgende vraag: kunnen vrouwen vandaag al evengoed om met verworven macht als mannen? Of zijn machtige vrouwen zoals de nieuwe Russische rijken die het moeilijk hebben om een gezonde relatie aan te gaan met hun vele geld? Nogmaals: ik stel me de vraag, het is geen stellingname!

Reden? Ik was deze week voor een paar dagen in Israël. Er moest onderhandeld worden met een klant over een belangrijke jaarovereenkomst. Het ging over veel geld. We zaten aan tafel met de topvrouw van het bedrijf: mevrouw Ariel. Ze werd enkele jaren geleden aangenomen als crisismanager. Iedere negotiatie met haar eindigt steevast in een guerrilla-oorlog, en dat was deze keer niet anders.

Het is mijn ervaring dat vrouwen aan de macht vaak een goed uitgestippeld en doordacht doel voor ogen hebben dat voor hen heel eerbaar lijkt. Als een moeder die voor haar kind door het vuur gaat, zo verdedigen ze hun strategie met hand en tand. Meestal blazen ze het gesprek eerst op een heel gemoedelijke wijze leven in. Het kind moet toch gebaard worden. Daardoor krijg je de hoop dat je op basis van consensus tot een vergelijk gaat komen. Bij mannelijke bazen is dat net omgekeerd: zij storten zich meestal blindelings, en op een brutere manier in het strijdtoneel.

Maar die vrouwelijke zachtaardige onderhandelingstechnieken verdwijnen al rap als sneeuw voor de zon wanneer ze het gevoel hebben dat ze hun gelijk niet kunnen halen. Ze schakelen dan over op de modus ‘overacting’. Je kan het vergelijken met de barensweeën die meer pijn doen dan ze gedacht hadden.

Dat was ook zo deze week toen Mevrouw Ariel haar onredelijke vooropgestelde volumekorting van 16% niet kon binnenhalen. Ze transformeerde van een zachtaardige moeder in een ‘emotionele drama queen’ en werd heel snel kattig; om niet te zeggen pisnijdig.

Het was niet alleen ik die werd afgeschilderd als onredelijk en onbevoegd, ook haar collega's werden in het Hebreeuws de mond gesnoerd. Ze snauwde zelfs haar meest gerespecteerde vrouwelijke onderzoeksmanager met 30 jaar ervaring af omdat die opperde dat er mogelijk andere aspecten in rekening moesten gebracht worden om tot een vergelijk te komen.

Dit is volgens mij typisch voor nogal wat vrouwen aan de macht: als de tegenpartij niet op hun boot wil mee varen, zijn ze minder bereid dan mannen om een creatieve oplossing te zoeken en een andere weg uit te varen die misschien tot dezelfde eindbestemming leidt. Ze zijn minder flexibel.

Mevrouw Ariel voelde zich geïsoleerd binnen de vergaderzaal, met 7 mensen rond de tafel. Plots deed ze alsof ze besefte dat ze te laat was voor een andere belangrijke meeting met een ‘belangrijk persoon’. En ja, in haar afscheidsrede stelde ze mij verantwoordelijk voor het feit dat ze die nobele onbekende zolang had laten wachten. Achteraf hoorde ik van haar collega’s dat ze helemaal geen meeting had.

Omdat ze in het nauw gedreven was, vluchtte ze weg uit de vergadering. Na 3 uur onderhandelen en zonder besluit. En daar was ik speciaal voor naar Israël gevlogen! Ik troostte me met de gedachte dat ze in barensnood was.

Ik denk dat we pas de toegevoegde waarde van vrouwen aan de top gaan kunnen waarderen als de vrouwen minimum 50% van die plaatsen bezetten. Zolang dat niet zo is, zitten we niet zelden met opgefokte manvrouwen opgezadeld die alle mooie aspecten van een gemengd genderbeleid ondermijnen. De ode aan ‘wees jezelf’ of het eeuwige dilemma van de kip of het ei!

vogelkastje

Een Japanner deed me onlangs het begrip ‘Amae’ uit de doeken. Nu ik net vader geworden ben, begrijp ik dit begrip beter.

Amae stamt af van het Japanse woord ‘Amai’ wat zowel lief als zoet betekent. Je kan het vergelijken met de onvoorwaardelijke en koesterende liefde die de mama voor haar krijsende baby toont en omgekeerd: de vredige afhankelijkheid die ze terugkrijgt van haar ukkepuk.

Bij ons bestaat die moederliefde vooral als we jong zijn. Hoe ouder we worden, hoe meer we naar onafhankelijkheid gestuwd worden. In Japan echter blijft die zoete en lieve afhankelijkheid doorheen het hele leven. En niet alleen binnen de familiekring, maar ook op school en op het werk.

Ik zie dat kinderlijke gedrag duidelijk bij ons op de werkvloer. Mijn Japanse bazen hebben favoriete kinderen die ze door dik en dun verdedigen. Ze sleuren hen mee naar de top, ook al zijn ze niet bekwaam of bij de pinken. Hierdoor hebben hun ‘poulains’ een grote kans om het te maken.

Maar tegelijk kafferen die Japanse bazen hun favorieten uit voor om het even wat en gebruiken hen als hun slaafje wanneer het hen uitkomt. De jongere goden slikken dit zonder enig verpinken. Ze buigen nederig het hoofd, dragen de boekentas van het baasje en gaan tot midden in de nacht op stap met hun dronken superieur. Loyaal tot in de kist! En vooral: voor wat, hoort wat.

Dankzij Amae kan een Japanse baas zijn zwakheden tonen zonder dat hij hierop afgerekend wordt. Als hij in een zatte bui in een ‘hostessen-bar’ de grootste onzin uitkraamt, zijn z’n adepten dit ’s morgens vergeten en behoeden ze hem voor zijn afgang. Hij lijdt geen gezichtsverlies en kan rustig zijn imperium verder uitbouwen zonder dat er aan de poten van zijn stoel wordt gezaagd. De getuigen houden zich op de vlakte. Ze vormen getto’s van ommuurde gevoelens om zichzelf te beschermen.

Amae is een van de grote redenen waarom ik als westerling niet anders kan dan argwaan en wantrouwen voelen in een Japanse werkrelatie. Ik heb namelijk nog nooit zo’n relatie zien groeien tussen een Japanse baas en een niet-Japanner. Japanse bazen kunnen dat blinde vertrouwen niet opbrengen voor een westerling. Waarschijnlijk durven ze dat risico niet nemen.

Dat is jammer want voor mij is vertrouwen onmisbaar in een werkcontext. Goede werkgevers zijn niet zelden bedrijven waar een kind een kind kan zijn.

Gepost op 16 oktober 2013