U bent hier

Manager Steven

Als je met mensen op restaurant gaat, leer je welk vlees je in de kuip hebt. Hoe ze zich gedragen als ze hun voeten onder tafel schuiven, geeft veel prijs over hun ware persoonlijkheid.

Op basis van mijn 'company expenses', wist mijn werkgever me te vertellen dat ik jaarlijks gemiddeld 127 maal mijn kredietkaart op restaurant bovenhaal. Gezien eten voor mij meer proeven is dan consumeren, heb ik tijd om mijn mee-eters te observeren. Het is een verdoken obsessie geworden.

Goed doorbakken of nog rauw: het blijft heel handig om de aard van een potentieel lief, nieuwe collega's, bestaande klanten of gewoonweg je vrienden in te schatten.

Onlangs was ik met twee Japanners op zakenreis in Duitsland. Na een hele dag reizen, nodigde ik hen 's avonds uit voor een diner in mijn favoriet Duits restaurant in Düsseldorf met uitzicht op de Rijn.

De menukaart was enkel in het Duits, dus moest ik de hele waslijst naar het Engels vertalen. Na 10 minuten hard labeur als vertaler-tolk, vroeg ik wat ze wilden kiezen. Het enige antwoord dat ik kreeg waren 2 paar starende ogen op oneindig, die gemarineerd waren in absolute stilte.

Het waren net 2 slapende koi's die niet konden kiezen in welke dode pier ze wilden bijten. Na lang aandringen en wat Japans gemompel kwamen ze dan toch samen tot het besluit dat ze een spaghetti wilden maar die stond dus niet op de menukaart!!! Ik kreeg er verschrikkelijke buikpijn van!

Ik had het moeten weten: Japanners kunnen niet zelfstandig kiezen en al zeker niet als ze zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun keuze.

Hieronder geef ik graag enkele conclusies die ik persoonlijk heb opgebouwd tijdens restaurantbezoeken en die voor mij even waardevol zijn als een persoonlijkheidsanalyse. Niet wetenschappelijk, maar mijn checklist is wel 3 sterren waard!

Keuze van het restaurant

Het start bij de keuze van het restaurant. Mensen, zoals mijn Turkse vriend Iskender, die altijd naar hetzelfde establishment gaan en de menukaart niet meer vragen omdat ze die specifieke kebab willen, zijn uiterst loyaal, wat gemakzuchtig en een snuifje conservatief. Het zijn doorgaans ook heel gezellige mensen die veel belang hechten aan vertrouwen.

Hun tegenpool zijn de mensen die constant op zoek gaan naar nieuwe en nog betere keukens. Dit zijn veelal onrustige, dynamische persoonlijkheden die vooral op korte termijn denken. Hun leven is te kort om 2 keer dezelfde pizza te eten. Ze hechten ook veel belang aan hun imago, zeker als ze beginnen op te scheppen over alle plaatsen waar ze al geweest zijn.

De menukaart

Het moment waarop mijn mee-eters de menukaart bekijken, is doorgaans het hoofdgerecht van mijn karakterstudie.

De mensen die voor het menu gaan kan je opdelen in 2 groepen. De eerste groep doet het uit gemakzucht omdat ze toch niet kunnen kiezen. De tweede groep zijn mensen die hun lot in de handen van de chef leggen omdat ze graag eens iets willen eten dat ze anders misschien niet zouden kiezen.

De prijs

Of er voor een goedkope of dure schotel gekozen wordt, zegt ook heel wat. Ik heb een vrouwelijke collega die zelf nooit betaalt, maar wel altijd zonder blikken of blozen de duurste kreeft van de kaart kiest als ik haar uitnodig. Ik kan je verzekeren: tijdens haar job is ze dezelfde opportunist of noem het eerder egoïst.

Ik haat zulke profiteurs. Het siert de mensen die je zelf moet overtuigen om niet voor het goedkoopste te kiezen omdat ze bang zijn om je geldbeugel pijn te doen. Zij hebben een hoog gehalte aan empathie en zijn dankbare persoonlijkheden. Ze zeggen na het diner 'een dikke merci', terwijl de anderen gewoon stilzwijgend over hun buik wrijven.

Hetzelfde bij de drankkeuze! Wie droogjes als aperitief een droog glas champagne vraagt, start met een negatief saldo. Vraagt iemand dan weer een simpel watertje, dan is de kans groot dat het een gedisciplineerde, correcte maar wat saaie persoonlijkheid is.

Manier van eten

Over de manier van eten, kan ik ook een boek schrijven. Dit is uiteraard wel cultuurgebonden.

Japanners en andere Aziaten hebben er geen probleem mee om tijdens het eten alle mogelijke geluiden te maken. Dit gaat van slurpen tot boeren. Ik word er STAPELgek van!

Mijn Arabische en Indische tafelgenoten gaan altijd voor volume en zijn in hun wiek geschoten als je geen partner wordt van hun braspartij. Ik doe nooit mee. Daarom vragen ze dikwijls of ik misschien ziek ben? Ze zijn begaan met het tekort aan geneugten in mijn leven.

Amerikanen zijn dezelfde volume-eters maar hen kan het geen moer schelen wat ik eet. Inderdaad: 'ikke, ikke en de rest kan stikke'.

Voorgerecht of dessert?

Er is wel nog een dilemma dat ik niet opgelost heb. Hoe moet ik mensen inschatten die liever voor een voorgerecht gaan dan voor een dessert?

Mijn idee-fixe was lang dat de 'zoete' monden gezellige, warme, openhartige mensen zijn. De 'zouterikken' classificeerde ik als meer matuur en zakelijk.

Maar omtrent dit hoofdstuk heb een aantal zeer rondborstige vrouwelijke collega's die het tegenovergestelde bewijzen. Hier sta ik op drijfzand!

Vergelijk het met het dilemma: wat is nu beter; het voor- of na-spel in bed?

Wie is er de beste trainer van de Rode Duivels: de Waalse Bulldog Wilmots die acteert als een grommende waakhond of de Spaanse mastiff Martinez, paraderend als een zelfverzekerde en zachtmoedige kuddehoeder?

Of het nu over een bevlogen voetbaltrainer, hondenfanaat, paardenfreak of bedrijfsleider gaat... Er is altijd een leider die met kop en schouder boven het tarweveld uitsteekt.

Hij heeft de aangeboren gave om mensen en dieren te beïnvloeden en ze in de juiste richting te laten wandelen. Ze moeten spontaan de paden betreden die je zelf als leider denkt te moeten betreden om de Sahara of bergcol te doorkruisen naar de groene malse weiden.

Zelf heb ik het zo dikwijls meegemaakt met mijn paarden. Als een van mijn jonge paarden angstig is om een straat over te steken moet ik als leider het vermogen hebben om de onervaren viervoeter weer op zijn gemak te krijgen zodat hij vol vertrouwen de toeterende auto’s kan pareren.

Of als mijn koppig en eerder nonchalant lievelingspaard Fabian weer eens tegendraads is, moet ik hem opnieuw kunnen motiveren om een uitdagende hindernis van anderhalve meter te nemen. De pure essentie is: het ware leiderschap!

Om een bevlogen leider te zijn -in om het even wat je goed wil doen- zijn er volgens mij een 4-tal basiskenmerken nodig. Bezit je deze karaktertrekken, dan kom je in een probleemsituatie niet met goedkope excuses aandraven maar met daadkrachtige oplossingen.

1)  Passie

Het begint met passie! Dit is de bezetenheid die ervoor zorgt dat je er blijft voor gaan, wat er ook -positief of negatief- gebeurt. Passie zorgt ervoor dat je blijft rechtstaan op de grond, ook al is die bezaaid met diepe putten of verleidelijke oases. Ik heb een innige band met mijn paarden en verlies die focus nooit uit het oog. 

2) Visie

Eenmaal de echte passie aanwezig is heb je als goede leider een visie nodig.

Je moet -met behulp van je passie- je visie op een authentieke manier en vol enthousiasme uitdragen. De voetbalploeg, medewerkers in een bedrijf of paarden moeten duidelijk weten wat je wil en hoe jij hun leven beter gaat maken. 

Je visie moet natuurlijk goed onderbouwd zijn met een deftig uitgestippeld stappenplan. Dit mankeert dikwijls bij een 'slogan-management'.

3) Jezelf in vraag stellen

Met passie en visie kan je je team de weg naar Rome laten ontdekken, maar dat betekent niet dat het een simpele loodrechte boulevard zal zijn. Als je als een koppige ezel je team stuurt zal je weerstand opwekken die zelfs tot een opstand kan leiden.

Je moet jezelf voortdurend durven in vraag te stellen om -indien nodig- de juiste wendbaarheid aan de dag te leggen.

Als ik mijn paarden te lang rechtlijnigheid vraag, komen ze in verzet. Geef ik ze even wat vrijheid door te teugels te lossen, dan worden ze rustiger.

Gun je teamleden even een zijweg om ze daarna weer op het rechte pad te sturen.

4) Empathie

Om te kunnen inschatten wanneer je wendbaar moet zijn, is empathie absoluut noodzakelijk. Je moet kunnen inschattten wat je team echt denkt en voelt.

Als ik op mijn paard zit, moet ik denken als een paard en zeker niet niet als een mens. Doe ik dit niet, dan heb ik gegarandeerd binnen de kortste keren zware problemen en lig ik gevloerd op de grond. Ik moet in de hoeven van een paard kunnen staan zoals een voetbaltrainer knellende voetbalschoenen moet kunnen ontknopen.

Wie is nu de beste trainer van de Rode Duivels? Ik denk de Spanjaard als leider van een kudde sublieme raspaarden, Wilmots als leider van een kudde losgeslagen zebra’s.

Vorige week ben ik een professionele ontgoocheling rijker geworden. Ik heb een hele week in Osaka rond de onderhandelingstafel gezeten met Japanners en Israëli's, maar het werd uiteindelijk een fiasco!

Ik heb geen enkele toenadering kunnen bedisselen: het water tussen de twee groepen is nog dieper geworden dan het al was voor mijn reis naar Japan. De Japanners omschreven de reden voor de mislukking voorzichtig als een clash van cultuurverschillen. Volgens de Israëlische onderhandelaars was de mislukking te wijten aan niet-compatibele bedrijfsculturen. Zelf ben ik er stellig van overtuigd dat de ingebakken vooroordelen tussen de Japanners en Israëli's aan de basis lagen voor deze driedaagse dovemansoren-discussie.

Het was mijn idee om de twee bedrijven samen te brengen in Japan en om zo een hechtere samenwerking te smeden. De Japanners hebben een technologie in handen die het Israëlische bedrijf wil gebruiken om een dominante rol te veroveren in de wereld van technologische folies. We zijn de samenwerking al vijf jaar aan het opstarten, maar ze heeft nooit de vlucht genomen die de betrokken partijen hadden gewild. 

Toen beide partijen aanschoven aan de onderhandelingstafel in Osaka, verliep het helaas niet zoals ik had gehoopt.

De Japanse onderhandelaars waren met tien. Negen mannen en één vrouw. Van de mannen sprak er slechts één gebroken Engels, het Japanse meisje sprak wel perfect Engels, maar ze begreep niets van het project waardoor de vertaling goed klonk maar niets verklaarde.

Ze waren alle tien nieuw in hun functie. Ze hadden in de laatste drie maanden een nieuwe job gekregen binnen hun bedrijf. Voor Westerse bedrijven is het ondenkbaar maar in Japan is het een jaarlijkse traditie bij de meeste grote en middelgrote bedrijven om ieder jaar in april een jobcarrousel te doen.

Dit bewijst dat niet de 'persoon' als werknemer belangrijk is, maar wel de hele groep werknemers en het product of de technologie. Het bedrijf staat op de eerste frontlijn terwijl de werknemers achter de brede organisatie-schouders ingetogen waarnemen en knikken.

De Japanners die aan de onderhandelingstafel zaten, hadden een beperkte kennis over Israël. Bij iedere vraag die er gesteld werd, keken ze alsof er een granaat insloeg en zochten ze met gesloten ogen dekking in hun papieren. Voor hen is Israël een uiterst gevaarlijk land waar iedereen constant oorlog voert. Alle Israëli's zijn mannen met lange baarden en lange zwarte gewaden die voortdurend in Jeruzalem aan de klaagmuur staan.

Voor het Israëlische bedrijf waren de bedrijfsleider en twee van zijn medewerkers afgereisd naar Osaka. De bedrijfsleider is een verhaal apart. Een hardwerkende bulldozer die vast en zeker een heel hoog IQ heeft maar qua emotionele intelligentie haalt hij het niveau van een diepzeeduikboot. Een baas die denkt: "Als ik dag en nacht werk, waarom jij niet?" En iemand die zijn ervaren verkoopsdirecteur afblaft bij de klant omdat hij niet de juiste sokken draagt... Die verkoopdirecteur heeft dit overigens niet gepikt en nam direct ontslag!

Net zoals de Japanse onderhandelaars, was ook de Israëlische bedrijfsleider een vat vol vooroordelen. Hij ging ervan uit dat Japanse medewerkers niet alleen kunnen beslissen, dus drumde hij de hoogst geplaatste Japanse baas in de hoek om die tot een directe conclusie te dwingen. Hij kreeg alleen stilte als antwoord.

Daarnaast dacht hij dat de etiquette van de Japanners er alleen was om hem op afstand te houden. Daarom was hij bij zijn openingsspeech direct vlijmscherp door alle mogelijke tekortkomingen op te sommen. Het resultaat was dat enkele Japanners plots naar het toilet moesten. We hebben hen niet meer teruggezien in de vergaderzaal.

De Japanners wilden graag hun vermaarde gastvrijheid tonen aan de Israëli's tijdens enkele gastronomische maaltijden. Maar ook toen voelde je egelstelling van beide kanten. De Israëlische bedrijfsleider weigerde alcohol te drinken. De Japanners op hun beurt dronken net wat meer, om hun stress te verdrinken in hun verwarde gevoelens.

Tussen de meetings door werd ik door beide kanten apart geroepen. Ik fungeerde als bemiddelaar en vooral als Vlaamse Klaagmuur. Ze zochten allebei voortdurend feiten om hun vooroordelen te bevestigen. Ze deden dit door de tegenpartij te marginaliseren. 

Ook al probeerde ik hun stereotypen te ontmaskeren: ik slaagde er voor geen meter in. Het lukte niet om hun oordelen te veranderen want op den duur was er gewoon geen dialoog meer.

Dit is voor mij nogmaals een bewijs van hoe sterk mensen een voorkeur hebben voor mensen die op hen lijken. Ik vrees dat dit jammer genoeg geen vooroordeel is van me. Het is mijn Oordeel, ook al ben ik er niet Voor.

Vroeger dacht ik dat vooral kleine en middelgrote ondernemingen een patent hebben op een angstcultuur. De eigenaar die als patriarch verkiest om angst te zaaien als morele zweep. Hij cultiveert een gevoel van onzekerheid waardoor hij zijn onderdanen emotioneel chanteert en tot slaafse gehoorzaamheid dwingt.

De laatste tijd valt het me op dat de angstcultuur ook in grote bedrijven wild om zich heen slaat. Ik ken bijvoorbeeld een groot, succesvol bedrijf waar de eigenaar zijn medewerkers openlijk afblaft, hun job als nutteloos omschrijft en hen vernedert, maar hen een uur later een fles champagne bezorgt omdat ze onbetaalde overuren aan het doen zijn.

Japanse intimidatie

Ook in mijn eigen organisatie -een Japanse multinational- merk ik dat de angstcultuur langzaam maar zeker de overhand neemt.

Vroeger was daar geen sprake van in Japanse bedrijven. Hun succes was gebaseerd op de cultuur van continu verbeteren. De medewerkers werden als een waardevolle bron gezien voor verbetering en kregen diep respect. Fouten maken kon, zonder dat je er op afgerekend werd. En ontslag was zeldzaam. De Japanse bedrijven wilden hun medewerkers geen angst aanjagen omdat ze beseften dat bange mensen geen verantwoordelijkheid durven op te nemen en altijd hetzelfde doen. Zo’n gedrag maakt het bedrijf zwakker.

Onlangs werd ons bedrijf bijna opgelicht voor ettelijke miljoenen euro’s via valse facturen vanuit Azië. We hebben een heel rigide facturatiesysteem met een veelvoud aan controles door verschillende personen, maar toch glipte die valse aanmaning tot betaling door de mazen van het net. Ons management dreigde direct met ontslag. Niet alleen de betrokkenen werden bedreigd, maar ook alle medewerkers in ons kantoor in Brussel. Hoewel we er niets mee te maken hadden. Het management organiseerde intimidatie-seminaries, riep nog extra controlesystemen uit, enz. De bazen verkochten angst om hun beleid en hun eigen onmacht te verdoezelen. 

Briesend paard

Het rare van die middeleeuwse angscultuur is dat ze op korte termijn tot goede resultaten kan leiden. De meeste medewerkers schieten zonder na te denken in actie als hun baas, die angst opwekt, in hun buurt vertoeft. Angst is een emotie die de meeste mensen lichamelijk en geestelijk zo overdondert dat ze zich totaal anders gaan gedragen. Ze veranderen hun ideeën of gedrag blindelings. Door te gehoorzamen hebben ze niks te vrezen en verdwijnen ze in de massa waar ze niet makkelijk geïsoleerd kunnen worden.

Dikwijls maak ik de vergelijking met mijn paarden. De meeste paarden hebben een voorspelbaar gedrag als er zich een angstsituatie voordoet. Sommige worden verlamd door deze ongrijpbare emotie en blijven stokstijf staan, maar de meeste draaien hun kar en slaan op de vlucht. Slechts een klein percentage van de paarden begint te briesen, draait de oren naar voren, spert de ogen wijd open en gaat dan heel behoedzaam de onbekende situatie tegemoet. Dat zijn de goeie want daar komt je verder mee!

Net zoals bij de paarden, heb je uitzonderlijk enkele medewerkers die niet terugschrikken en hun ratio blijven behouden tijdens beangstigende momenten. Dit zijn de ware leiders: ze kunnen inschatten waar je als individu of groep echt bang moet voor zijn. Ze hebben een gezonde vorm van vrees voor zaken waar je echt schrik moet voor hebben, maar niet voor de opgelegde angstcultuur. Een angsthaas ben je beter niet, want dan word je vroeg of laat word je afgeschoten. Maar met een gezonde portie vrees kan je je bedrijf beschermen. Door een 'Jan met vrees' te worden, kan je bedrijf op moeilijke momenten al fluitend als een 'Jan zonder vrees' door het leven gaan.

Uitbarstende vulkaan

Een angstcultuur kan op korte termijn tot resultaten leiden, maar op lange termijn is ze destructief.

Ik kreeg hier vorig jaar een mooie illustratie van. Een Franse multinational, waarin er een angstcultuur heerst, nam toen een goed functionerend Nederlands bedrijf over. Ik was een bevoorrechte getuige want ik kende beide bedrijven en leiders heel goed en kreeg van beide kanten te horen wat ze van elkaar dachten en wat ze van plan waren.

De nieuwe Franse eigenaars hadden schrik dat ze geen controle gingen krijgen over het sterke rebelse Hollandse management. De Nederlanders op hun beurt vreesden dat ze hun autonomie en jobs zouden verliezen. 

Na een paar maanden barstte de vulkaan uit. Mensen werden ontslagen of op non-actief geplaatst, jongere talenten verlieten het bedrijf en alle creativiteit verdween uit de organisatie aangezien ‘gehoorzamen’ het Franse codewoord was.

Mijn conclusie? Op korte termijn kan angst en controle opleggen, tot resultaat leiden, maar op lange termijn wordt dit een verslaving net als roken. Het schenkt geen enkele bevrediging en creëert alleen maar een behoefte aan nog meer controle. Zo ontstaat er een systeem dat de bron van nieuwe ideeën en motiverende samenwerking drooglegt.

Reizen is vaak een naakte confrontatie met jezelf, en is ook confronterend voor je metgezellen. Conflicten vallen na een paar dagen samen optrekken uit de lucht als overrijpe pruimen uit de moederboom. Er kunnen duurzame relaties gesmeed worden maar evengoed kan een ijzersterke verbondenheid als fijn kristal in 1001 gruzelementen uiteenvallen.

Ik heb me al dikwijls afgevraagd waarom samen door de wereld trekken iets is als dansen op een slappe koord. Is het omdat je de vaste grond niet meer voelt waarop je relatie wortels heeft geschoten? Worden mensen karakterieel anders als ze gedwongen worden om van een nestblijvend koekoeksjong in een nestvliedend eendenkuiken te transformeren?

Zakenreizen met collega’s zijn daarom erg delicaat en bepalen soms zelfs je verdere carrière. Succesvolle werknemers kunnen hun gouden aureool verliezen in een paar dagen, en de meest grijze muizen kunnen een wonderlijke openbaring worden als je ze ziet functioneren buiten de opgelegde bedrijfscultuur.

Mijn baas Bert bijvoorbeeld, die altijd als een losgeslagen bijtgrage pitbull door ons kantoor raast, werd een slaafs meehuppelende poedel toen we op zakenreis waren in Israël. De reden was simpel: toen we in de luchthaven van Tel Aviv samen werden ondervraagd door de veiligheidsdienst geraakte hij dik in de problemen door zijn gebruikelijke arrogantie. Eerst liet ik hem -als onderdanige medewerker- zijn gang gaan, maar uiteindelijk heb ik via een meer diplomatische aanpak de boel kunnen temperen. Na twee uur debatteren met de security mochten we onze vierdaagse trip in het land van melk en honing toch nog aanvatten. Door dit voorval kon ik tijdens de reis op hetzelfde elan verdergaan, en zelfs toen we terug op kantoor waren zette hij zijn intimiderende masker minder op naar mij toe.

Maar ik herinner me ook nog een tegengesteld scenario van zo’n 15-tal jaar geleden. Samen met de oersaaie lamlendige techneut Pol moest ik in Libanon een project gaan opstarten. Ik zag er tegenop om gedurende twee weken in Beiroet het ontbijt-werken-lunch-werken-diner-schema te moeten doorlopen. Ik zag de eerste dagen echt niet in welke competenties Pol had. Tot de derde dag van ons verblijf: toen begont Israël Beiroet te bombarderen. We moesten dagenlang in onze hotelkamer blijven waar we via CNN de overvliegende vliegtuigen konden zien, terwijl we bominslagen hoorden. De luchthaven was dicht, tanks blokkeerden de straten: we zaten als muizen in de val. Maar het was juist de grijze muis Pol die de spitsbroeder van het gezelschap werd in die situatie. Via zijn rust, empathie en humor werd die stresservaring een moment van waardering en zelfs blijvende vriendschap.

Een ding ben ik zeker: de ware aard van mensen moet je gaan zoeken op de momenten dat ze uit hun comfortzone worden gehaald. Daarom probeer ik altijd zoveel mogelijk met mijn collega’s op zakenreis de wereld te ontdekken.

Met een alerte verrekijker en knuffelend vergrootglas zal ook jij op die trips vroeg of laat tot gelijkaardige ontdekkingen komen.

Dat bazige goudhaantje is ook voor een deel maar een goudvis en die grijze muis een witte merel!

Mijn levensleuze wordt -iedere dag dat ik iets ouder word- een steeds groter levensdoel: ik stap elke dag uit mijn bed met de gedachte dat het een dag moet worden die ik de komende tien jaar niet wil vergeten.

Afgelopen 14 november was er mij zo’n dagje.

Zat ik toen op een romantisch spierwit zandstrand met wuivende palmbomen en een smachtende exotische temptation-cocktail in de hand? Neen, ik trok die dag met enkele Japanners in België rond als een ronddollende en dolende missionaris.

14 november was de dag van de voetbal-non-klassieker België - Japan in Brugge. 

Ik moest de Japanse aftrap geven toen ik ’s morgens om kwart na acht werd opgebeld door een Vlaamse radiozender om mijn gedacht over het Japanse voetbal en de Japanse sportcultuur te geven. Altijd vreemd om je eigen stem in de ether te horen en zeker om eens te kunnen praten met een journalist die zo vertrouwd klinkt maar die je nog nooit hebt gezien.

Mijn uitgangspunt was duidelijk: Japanners zijn de grootste egoïsten als ze op het voetbalveld rondcrossen terwijl ze op de werkvloer de grootste teamplayers zijn of zouden moeten zijn. De ware aard van het beestje komt naar boven als de gedachten op nul worden gezet. 

België - Japan = 1-0

’s Middags had ik bij mij thuis -in de omgeving van Brugge- een vergadering gepland met onze belangrijkste Japanse zakenpartner. Dit als voorbereiding van een grote contractbespreking met een Franse multinational maar vooral: om daarna samen naar de voetbalwedstrijd te gaan.

Japanners vinden het vreemd dat je je privéwereld laat samensmelten met het professionele gedeelte van je bestaan, maar ik denk net dat dit een sterkte is. Door een inkijk te geven in je persoonscocon, krijg je een sterkere en beter uitgebalanceerde positie, ook al stel je je hierdoor kwetsbaarder op.

Ik had de open haard aangepookt en serveerde koffie en moorkoppen. De sfeer veranderde al snel van gereserveerdheid in een gezellige en constructieve meetingattitude met de gewenste resultaten.

België - Japan: 2-0

Voor we het voetbalstadion binnen laveerden, had ik een gezellig restaurant geboekt in een klein dorpje nabij het stadion. ‘Het Oud Gemeentehuis’ deed onze Vlaamse keuken en gemoedelijkheid alle eer aan. De Westmalles en het everzwijnstoofpotje lieten de Japanse heimwee naar sushi en tempura in zwijm vallen. ‘Oishii’ en ‘umai’ waren de Japanse superlatieven. 

Eten en alcohol zijn in de zakenwereld niet zelden de juiste drug om de zeden te verzachten en het water bij de wijn te laten blenden. Een voltreffer.

België - Japan: 3-0

Om half acht op naar het voetbalstadion. Gelukkig ken ik de omgeving als mijn broekzak zodat we de enorme files en parkeerschaarste konden ontwijken. Onze Japanners zagen de verkeerschaos en ongecontroleerde mensenmassa. Het eerste gezucht en Aziatische ongeloof op de kabuki-maskers kwamen tevoorschijn.

Bij de ticketcontrole was het een en al amateurisme. Ondanks de classificatie van ‘risicomatch’ moest ik als Vlaming bij de Japanners in het bezoekersvak. Ongeloof bij mij, zeker toen de stewards beweerden dat ik mij tijdens de boeking had voorgedaan als Japanner. Toen ik mijn West-Vlaamse familienaam op mijn ticket toonde was hun enige reactie: dat is raar... Bizar, zeker als je weet dat we met meer dan 300 Belgen in vak 421 van de Japanse bezoekers moesten samenhokken.

De wedstrijd van de Belgen was een dikke belabberde nul. De supporters keken als konijnen naar een lichtbak met de uitstraling van glimwormen in plaats van vonkende helden. Wat een gebrek aan beroepsernst als je weet wat wij doen om hen te komen aanbidden. SCHULDIG VERZUIM.

Gelukkig was de sfeer en ambiance tussen de Japanse fans van topniveau. Vanaf het begin tot aan het eindfluitje pompten ze met hun trommels het Japanse ritme erin terwijl de backing vocals ‘Nippon’, ‘Nippon’ scandeerden. Zeker de helft van de Japanse fans in Brugge was vrouwelijk. Dit is ook zo in de Japanse nationale competitie. Het zijn vooral de jonge meiden die de voetbalgoden aanbidden zonder echt veel van het voetbal te snappen. Daarom waren ze ook zo goedgemutst. Ze kirden van plezier wanneer de bal in het Japanse kamp vertoefde en zeker toen hun doelman Kawashima een bal moest oprapen. Wat een beroepsernst als supporter!

Het Japanse koppel dat naast me zat had hun baby van vijf maand meegebracht die ze tijdens de rust kleine klompjes sushirijst gaven. Dat ze hun baby meebrachten is echt wel een bewijs dat ze geloven dat sport mensen vredelievend samenbrengt. 

Ze gaven tijdens de wedstrijd zelf het goede voorbeeld: ze waren supervriendelijk, lachten, vroegen beleefd of we een foto van hen wilden nemen en deelden snoepjes uit aan de vele kleine Japanse peuters die mochten meekomen.

Hun vredelievendheid werkte aanstekelijk en maakte van hen een medestander in plaats van een tegenstander. De kracht van de zachtheid stond die avond in volle bloei.  

Hiermee scoorden de Japanners een prachtige en onvergetelijk hattrick.

België - Japan : 3-3 

En ik? 

Ik heb opnieuw een juweeltje in mijn levenskampioenschap kunnen binnenkoppen. Een dag van mijn leven die ik zeker tien jaar zal kunnen blijven koesteren dankzij die enige Vlaamse held Jan Breydel die op niveau wou acteren. In het land der blinde voethelden is de eenogige hofnar Jan, de koning!"

Mijn bureau is ontslagen voor perfecte bewezen diensten! Ons management besliste om het bedrijfsgebouw te verkopen waar ik 24 jaar in heb geleefd en gewerkt. Het was alsof mijn zelf opgebouwd ‘werk-nest’ in mijn arbeidsboom ongenadig omver gehakt werd door een management dat op zoek gaat naar een meer prestigieuze locatie.

Het gebouw waar ik werkte voelde zo vertrouwd aan als mijn ouderlijk huis. Ik had er een emotionele band mee opgebouwd: de geur, de sfeer, de locatie, de bomen, de brandweerkazerne waar ik op uitkeek en vooral: de 'schoonheid in zijn rimpels'. Het gebouw was een onderdeel van mijn professioneel bestaan dat mij een bepaalde zekerheid, trots en arbeidsvreugde schonk. Ik besefte dit iedere keer weer als ik me op mijn bureaustoel nestelde na een van mijn ontelbare zakenreizen.

Mijn Japanse bazen kennen die emoties niet voor ons gebouw: zij blijven maximaal vier jaar en vertrekken dan weer naar Japan. Voor hen is het eerder een transit kamp. Ze voelen er geen liefde voor.

Het gebouw -dat eigendom was van ons bedrijf- was welgeteld 30 jaar oud. Blijkbaar was het niet meer sexy genoeg om er nog geld aan te spenderen en een paar klassieke ouderdomskwaaltjes uit de wereld te helpen. De airco had af en toe vapeurs, de waterleiding had soms geen controle over zijn kleine lekkages en het tapijt had grijze haren achter zijn oren. Ik vond dat het gebouw recht had op een facelift zodat het met waardigheid oud kon worden.

Helaas dacht ons management daar anders over. In het begin deden ze heel geheimzinnig want ze beseften al snel dat een verhuis naar een andere werklocatie een heel delicate zaak is. We hadden natuurlijk allemaal onze verzuchtingen maar voor een kantoor in Brussel is de bereikbaarheid onomstotelijk het grootste heikele punt. Als management kan je niet voor iedereen goed doen en moet je een compromis zien te vinden tussen wie met het openbaar vervoer komt en met de wagen.

Het domste wat je kan doen is het gevoel opwekken dat medewerkers medebeslissingsrecht hebben omtrent de nieuwe locatie. Ons management heeft dat gedaan door ons te laten stemmen op een short list en door een groep medewerkers een aantal mogelijke locaties te laten bezoeken. Uiteindelijk hebben ze toch gewoon hun zin doorgedrukt. Gevolg: nog meer gemor met uiteindelijk een uitgebluste berusting bij de werknemers en een gevoel van: trek je plan met je verhuis.

Een heel gevoelig punt bij de jonge generatie was ook de omgeving van ons nieuw kantoor. Waren er genoeg mogelijkheden om over de middag iets te gaan eten, waren er winkels in de buurt, was het wel veilig. Het management focuste daar echter niet op. Vooral de uitstraling van het gebouw was belangrijk en ook wel een klein beetje de kostprijs. Maar bovenal: het gebouw moest splinternieuw zijn want ze moesten een perfect alibi vinden voor het feit dat ons ouderlijk kantoor zijn C4 had gekregen.

Uiteindelijk zijn we in een net afgewerkte building terechtgekomen met negen etages, middenin de Europese wijk. We hebben nu een landschapsbureau. Ik heb eerder het gevoel dat ik een legkip ben in een callcenter dan dat ik in een kweekvijver zit waar creatieve ideeën en goede bedrijfsresultaten kunnen ontbolsteren.

We hebben wel een gezellige coffee corner, een moderne keuken en acht vergaderruimtes voor 30 werknemers. Maar als toetje heb ik ’s morgens drie uur file om naar deze place to be te komen. Voor wat, hoort wat.

Na de terroristische aanvallen, vroegen al mijn collega’s van over heel de wereld -van Nieuw-Zeeland tot Saudi-Arabië-  of mijn familie, collega’s en ikzelf oké waren. Ze waren in shock en konden niet begrijpen dat ik in Brussel wil blijven wonen.

In de internationale zakenwereld wordt Brussel stilaan het échte lelijke eendje. Vroeger was het vooral een lelijk hebbeding omdat het vuil en slordig is, onbegrijpbaar en moeilijk bereikbaar. Maar je kon er toch een bepaalde sympathie voor koesteren als je er een poosje mee samenleefde en het wat beter begon te begrijpen.

Maar het het imago van een sluikse underdog die liefde opwekt, is nu veranderd in een gevaarlijke bijtende bulldog. Een gedaantewisseling die een negatievere impact heeft en van langere duur kan zijn dan vele politiekers laten uitschijnen.

Ik spreek op basis van mijn dagdagelijks ervaring met Japanse en Amerikaanse multinationals. Door de aanslagen geldt er in veel buitenlandse bedrijven nog steeds een totaal reisverbod naar België. België zit in dezelfde risico-categorie als Israël. Dat is een blaam voor Israël: ik denk dat het in Tel Aviv veiliger is dan in Brussel omdat er daar al jaar en dag een strikte controle plaatsvindt.

En geloof het of niet: door ons verminkte ‘Maalbeek’ mogen wij van ons bedrijf niet eens meer het openbaar vervoer gebruiken om binnen België op zakenreis te gaan. Te gevaarlijk!

Vroeger ontmoette ik af en toe buitenlanders die het metrostation ‘Maalbeek’ verwarden met de Libanese streek ‘Malbec’. Een vreemde maar rake vergelijking. Er is op beide plaatsen een clash van verschillende culturen, overgoten met een religieuze saus die ze vervolgens flamberen. Misschien is dit de reden waarom de islamitische fundamentalisten net dit metrostation uitkozen.

Niet alleen de fysieke terreur, maar ook de mentale terreur van onveiligheid heeft zware gevolgen. Ons kantoor in Brussel heeft een negatieve stempel gekregen en dit zet een domper op onze activiteiten. Wij mogen bijvoorbeeld geen internationale conferenties meer organiseren. De conferentie die bij ons gepland was is nu verplaatst naar Düsseldorf. En we kunnen geen projectvoorstellen meer maken voor Belgische investeringen omdat we ‘te risicovol’ zijn. Dit leidt ertoe dat ons kantoor een stuk macht verliest.

Kunnen we die Japanse en Amerikaanse multinationals laten behandelen voor paranoia? Ik vrees dat dit weinig zal uithalen. Zij beschouwen ‘dokter Brussel’ net als de zieke patiënt die behandeld moet worden.

Een van onze zusterbedrijven heeft de koe reeds bij de horens gevat. Hun kantoor in Brussel wordt gesloten en verhuist naar Vlaanderen. Ook wij zijn al een tijd van plan om te verhuizen. Vroeger was het centrum van Brussel een optie, maar nu is er hier meer dan een beetje twijfel over.

Ik ben al 30 jaar een Vlaamse Brusselaar, maar nu voelt Brussel voor mij als een ex-lief aan. Ik voel er wel nog iets voor maar steeds minder en minder na een hele reeks ruzies en bedriegerij. Er is nog iets, maar meer en meer niets.

 

In augustus had ik professioneel mijn hoogtepunt van het jaar, maar ondertussen is het mijn grote ontgoocheling van 2015. Van een mooie, fladderende vlinder naar een kruiperige rups! Van een metamorfose naar 'retro'-morfose.

Ik werd in augustus -samen met dertig andere collega's die afkomstig waren uit de hele wereld- uitgenodigd naar Londen voor een intensieve training over 'bedrijfsinvesteringen in Afrika'. De training werd gegeven door Oxford universiteit. Het was net alsof we op retraite waren. Opgesloten in een prachtige aula, de ene boeiende presentatie na de andere en daarna afsluiten met een gemeenschappelijke lunch. In de namiddag hadden we groepssessies waarin we brainstormden en onze resultaten en plain public moesten verdedigen bij het topmanagement. 

Iedere dag werden we wat meer Afrikaans en van de 30 losse mensenblokken werd naar het einde van de week een stevige zendingspost gebouwd die alle woestenijen van het zwarte continent konden weerstaan. De meeste deelnemers waren laaiend enthousiast over de nieuwe inzichten en kennis, de nieuwe ideeën en strategieën van ons bedrijf en het gevoel dat het topmanagement in ons geloofde als toekomstige ontginners van het zwarte goud.

Met volle moed vlogen we terug naar onze thuisbasis en gingen met een zak vol nieuwe projecten aan de slag. De beginfase van de opvolging verliep al stroef. Het verzoek om een taskforce team op te zetten, gingen ze later bekijken. Mijn drang om een duidelijke structuur op te zetten en concrete verantwoordelijkheden te leggen bij ieder persoon, deed bij heel wat mensen aan de top maar ook bij een aantal deelnemers de wenkbrauwen fronsen. Mijn eerste voorstel om een project op te zetten in Tanzania werd een doodskreet van een wildebeest in de Serengeti.

Ons bedrijf heeft zoveel geld betaald voor de training, en nu blijkt dat het in een bodemloze put gestort is. Ik heb deze ervaring zo dikwijls en word er moedeloos van. En soms ook heel cynisch, beweren mensen uit mijn omgeving. 

De kampioenen zijn sowieso de politiekers. Om de zoveel dagen slaan ze ons om de oren met nieuwe wetten en maatregelen. In verband met hun goede bedoelingen kan je in de politiek dikwijls vraagtekens plaatsen. Over de juiste uitvoering ervan moet je bijna altijd een vraagteken plaatsen. Doordat de levensduur van de bedenkers redelijk kort is, verkondigen ze alles holderdebolder. De implementatie zullen ze dan wel later regelen.

De vicekampioen, die heel dicht aanleunt bij de politiek, is het bedrijfsleven. Nieuwe bazen staan synoniem voor nieuwe slogans en nieuwe strategische wendingen. Veranderen om te veranderen want als nieuw baasje heb je het nu een tijdje voor het zeggen.
Hier is de motivatie van de goede bedoelingen in eerste plaats 'persoonlijk belang'. In de politiek eerder van groeps- of partijbelang. Nieuwe bazen willen bewijzen dat ze beter en vooral anders zijn dan de vorige. Ze weten vaak amper waarover ze spreken en vallen daarom terug op vorige recepten en ervaringen die in hun vorig werkleven wel levensvatbaar waren.

Ook in ons persoonlijk leven hebben we een overdaad aan uitverkoren bedoelingen en goede voornemens. Zeker in het begin van het nieuwe jaar. Minder hooi op onze vork nemen, meer sporten, minder ongezond leven, nieuwe uitdagingen aangaan en vooral: liever zijn voor onze medemens. Hopeloos en ongeloofwaardig.

Ik wens jullie een 2016 met 1 of 2 goede voornemens, maar dan wel met een een perfecte realisatie ervan, zonder enige excuses waarom het net niet lukte. Ik ben er rotsvast van overtuigd: je zal er zelf zoveel gelukzaliger door worden en de andere mensen zullen zoveel meer bewondering voor je hebben.

Het einde van het werkverhaal van oudere werknemers doet me dikwijls aan een ouderwetse kippenboerderij denken.

Zolang je als haan in vuur en vlam de hennen goed kan bespringen en de kuikens beschermt tegen rovende eksters, ben je de koning! En zolang je -als hen- dagelijks een ei met een dikke schaal legt en voldoende geduld hebt om je eieren uit te broeden, krijg je graan met hopen! Maar voldoe je niet meer aan de strenge verwachtingen van kiekenboer Kamiel, dan heeft hij geen medelijden en kost het je je kop. Je eindigt je carrière als kippenvoer of in het beste geval als vol au vent.

Niet alleen de boer is meedogenloos: de grootste afslachtingen en vernederingen, mag je van je medesoort verwachten. Als oudere haan, moet je met de andere hanen een gevecht aangaan dat kan leiden tot leven of dood. Blijf je leven, dan heb je maar één optie: een desolaat en solitair leven accepteren waarin je geen pieren meer mag wegpikken voor de bek van de nieuwe leider en vooral: waarin je geen aanstalten meer mag maken om een van de kipjes onder je vleugels te nemen. De hennen gunnen je trouwens geen scheef oog meer ondanks de 1001 wilde vrijpartijen van de romantische jaren ervoor. Ze aanbidden van de ene dag op de andere hun nieuw baasje.

Ben je een bomma-hen, dan doen de jongere kippen er alles aan om je een trap lager te plaatsen in de pikorde. Bovendien word je stap voor stap uitgehongerd. Je kan als oude moederkloek enkel de resterende maïskorrels verorberen als de rest geen honger meer heeft. De laatste episode voor je als uitgemergelde kip op pensioen gaat, is het dagelijkse gehoon-gekakel van de andere kippen die nog eieren produceren en op je willen ‘kakken’. Op je afscheidsreceptie pikken ze je als een weerloos slachtoffer dood en verorberen je met plezier. Als souvenir bewaren ze een paar van je mooie lang gekoesterde rosse pluimen. Het erge is dat ze die in hun eigen achterwerk proberen te steken om ermee te pronken bij hun nieuwe idool.

Is het belachelijk om oudere werknemers te vergelijken met kippen? Verdomme, neen. Hoeveel mensen hebben een mooi einde van hun loopbaan? Ze zijn in veel bedrijven op één hand te tellen. Ik heb er in ieder geval weinig ontmoet.

Toevallig maken twee van mijn collega’s momenteel zo’n ‘kieken-uitrangeer’-moment mee. Ze zijn 63 en 64, en werkten allebei meer dan 40 jaar voor dezelfde onderneming. Ze verliezen stap per stap hun bevoegdheden, voor belangrijke meetings worden ze niet meer uitgenodigd en ze krijgen geen training meer omdat dit als verloren geld beschouwd wordt. Onze bedrijfsleiders zijn echter niet de enige boemannen. Mijn jongere collega’s zijn even erg: ze lachen met de oude ‘peetjes’ die niet meer op dezelfde hoge golven kunnen surfen. Van hun bazen konden ze dit nog verwachten, maar van hun directe collega’s niet. Deze uppercuts moeten dan ook extra hard aankomen. Ze zijn er niet tegen gewapend en daarom doen ze zoveel meer pijn. En dan heb je nog de grootste lijkenpikkers: collega’s die hun verantwoordelijkheden en job overnemen. Die nieuwe ‘high potentials’ willen bewijzen dat hun voorgangers hun job verkeerd, inefficiënt en met weinig toekomstvisie hebben aangepakt. Daarna verpakken ze de mooie realisaties van de vorige personen in een ander kleedje en vervangen gewoon het naamplaatje.

Ik vind dit zo ondankbaar en dierlijk. Maar raar maar waar: het is 100% menselijk.

Er zijn maar twee groepen die dit lot niet moeten ondergaan. Om te beginnen de personen die helemaal op de bovenste stokken van de kippenren zitten. De top-haan zal altijd top-haan blijven omdat hij alle hanengevechten heeft willen aangaan en tot bloedens toe steeds heeft kunnen winnen. Die vechthaan zal wel meer dan haantjesgedrag moeten etaleren. Daarnaast heb je de medewerkers die zich altijd vol plezier onderaan hebben genesteld. Als je kiest voor de zekerheid van de koffiedame Arabelle zal je tot het einde van je dagen respect krijgen van de werkenden. Je bent niemands gevaar als dienster en vooral: niemand lust die groene wormen die jou in de zevende hemel brengen.