U bent hier

Manager Steven - mei 2007

Ik ben al een paar weken mijn tweejarig veulen Fabian aan het africhten. Deze periode duurt ongeveer een jaar en gedurende die tijd leer je het ware karakter van je paard kennen. Banden worden gesmeed of verbroken. Voor mij zijn dat fantastische paardenmomenten.

Fabian weegt nu 550 kg en meet meer dan twee meter. Ik ga nooit letterlijk een gevecht aan om de overmacht te halen. Om tegen die oerkracht op te kunnen zou je een bodybuilder moeten zijn. Waar het wel op neer komt is, dat je je paard in de waan laat dat jij machtiger bent. Dat is erg belangrijk want eens het de smaak van onoverwinnelijkheid heeft geproefd, kan het een dodelijk monster worden. Maar met de juiste opleiding kan je zelfs van de meest bronstige hengst je trouwe vriend maken.

Mijn instinct zegt dat je doodeerlijk moet zijn als je een paard wil africhten, maar ook heel rechtlijnig en streng. Met zachtheid alleen kom je er niet. Verder is de manier waarop je communiceert erg belangrijk. In het begin is het vooral je lichaamstaal die de deur naar de paardenhersenen op een kier zet. Een paard is niet zo intelligent. Daarom vraagt africhten enorm veel tijd en geduld. Een doorsnee paard zou ongeveer het IQ hebben van een tweejarig kind. Maar mijn Fabian is natuurlijk veel slimmer. :-)

Als paardenafrichter probeer je te denken als een paard. Zo moet je signalen leren herkennen die op bepaalde gevoelens wijzen. Een voorbeeld bij Fabian is de mimiek. Die verraadt zijn gemoedstoestand. Z'n ogen stralen dezelfde schrik, lust of bewondering uit als de mijne wanneer ik een elegante vrouw op straat zie. Of zijn oren: als die plat liggen wees dan op je hoede, want op dat moment is er veel agressie aanwezig. Maakt zijn staart veel draaibewegingen, dan weet ik dat hij heel nerveus is. Ik moet dan direct reageren om hem weer rustig te stemmen.

Mijn uitgangspunt is dat ik bepaald gedrag wil 'aan'-leren, niet 'af'-leren. Dat doe ik door Fabian vooral positieve ervaringen te laten smaken. Als je een paard veel beloont, zal het spontaan en creatief op zoek gaan om opnieuw tot die beloning te komen. Zo leert het blijvend iets bij. In dwingende straffen geloof ik niet echt. Ze kunnen soms nuttig zijn om bepaalde zaken af te leren, maar een paard leert er niets door bij.

Voilà: de kracht van zachtheid, en dat met mijn 69 kg!

Gepost op 31 mei 2007

Ik moet voor de derde keer dit jaar, naar Dubai. Een lidstaatjes van de Verenigde Emiraten.

Als je de reisbrochures mag geloven is het de nieuwe tropische oase van deze wereld. Maar ik noem het eerder een oververhitte zakenhe(me)l.

Op de heenvlucht zit ik naast een boeiende Vlaming die zijn Dubai-verhalen met gemak naast de mijne kan leggen. Het ene verhaal is al straffer dan het andere. Hoe dan ook, hij werkt voor een buizenfabrikant en gaat logeren in het meest prestigieuze zevensterrenhotel, de Burj Al Arab. Kostprijs per nacht: 950 euro. Dat van mij heeft maar vijf sterren en kost een vierde van de prijs. 240 euro per nacht betalen, en toch een 'loser' zijn, dat is typisch voor Dubai.

Na een nacht slecht slapen, begin ik pas om 10 uur aan mijn eerste meeting. Ik neem altijd tijd voor een ontbijt. Voor mij is dat de perfecte start van iedere dag, ook in België. Ik ontbijt buiten met een wonderlijk zicht op de zee-inham waar de stad Dubai rond gebouwd is. Een bord vol tropisch fruit en Arabische specialiteiten schenkt me extra energie en zin om ervoor te gaan.

Samen met m'n Duitse en Poolse collega word ik door mensen van ons kantoor in Dubai afgehaald. Onze kantoren in het Midden-Oosten zijn meestal bemand door een mix van Japanners, Indiërs en soms Egyptenaren. De Arabieren hebben heel weinig zin om voor een Japanner te werken. Ik vang soms op dat ze zich daar te goed voor voelen.

Ik heb Dubai de voorbije 15 jaar zien ontwikkelen van een vissersdorp tot een internationaal zakencentrum. De gezellige charme is verdwenen. Het is nu een opeenhoping van wolkenkrabbers. Er wordt hier trouwens een van de hoogste gebouwen ter wereld gebouwd: een 800 meter hoog kantoor van beton en glas dat Dubai op de wereldkaart moet zetten. Imago is zó belangrijk. Dubai is een marketingproduct, een artificiële wereld die bewijst dat je met genoeg geld ook de natuur kan controleren. Van een verlaten woestijn is het omgetoverd tot een drukke wereld waarin een paar miljoen mensen leven.

De bevolking is geëxplodeerd door een constant toestromen van Aziatische immigranten. De lokale Arabische bevolking telt minder dan 20% van de 1,6 miljoen mensen die nu in Dubai wonen. Toch blijven de Arabieren alles controleren, zonder enige inspraak van de nieuwkomers. Maar ze hebben de Chinezen, Indiërs en Pakistani wel nodig als goedkope en tijdelijke werkkrachten. Die laaggeschoolde mensen komen hier hun geluk zoeken. Voor een periode van vijf jaar moeten ze keihard werken om zo hun droomhuisje in hun thuisland te kopen. De hogergeschoolden blijven iets langer en starten meestal hun eigen zaak.

Tijdens de drie dagen hier in Dubai hol ik van de ene zakelijke bespreking naar de andere. Nieuwe projecten opstarten, bestaande klanten bedanken voor contracten, marktonderzoek doen, een reorganisatie binnen ons bedrijf bespreken … In de Arabische wereld neemt het altijd enorm veel tijd in beslag om tot een beslissing te komen. Onderhandelen lijkt hier wel een hobby. Dit is enorm zenuwslopend voor een ongeduldig persoon als ik. Ik verkies actie en snelheid. Gelukkig kan ik ontstressen dankzij een dagelijkse portie sport. Fitnessen of zwemmen in het hotel of soms wat tennissen met een klant.

Na een week op reis, voel ik de drang om terug te keren naar mijn heimat. M'n terugvlucht is geboekt om 2 uur 's nachts. Uiteindelijk duurt het 15 in plaats van 11 uur voor ik terug op Belgische bodem sta. Soms is het leven een calvarietocht ...

Gepost op 29 mei 2007

Ik ben ongeveer 120 dagen per jaar een Vlaming op en in de vlucht. Voor veel mensen lijken zakenreizen veredelde plezierreisjes. Onze boekhouders noemen het zelfs betaalde vakantie. Ik kan je verzekeren dat de realiteit soms een heel ander verhaal is.

Een zakenreis begint voor mij al een paar weken voor de vertrekdatum. De voorbereiding is een ritueel. Ze bepaalt meestal het succes van een de trip. Een collega waar ik al 13 jaar mee samenwerk, regelt de praktische zaken: de juiste vluchten, visums, hotels, lokaal vervoer, … Wat ik zelf het vervelendst vind aan de voorbereiding is: mijn valies maken. Ben ik geen documenten vergeten, welke en hoeveel kleren moet ik meenemen, heb ik voldoende cash bij me, enzovoort. Dit is eigenlijk het enige dat me zenuwachtig kan maken als ik op reis ga.

De volgende etappe is de luchthaven, mijn 'tweede thuis'. Op tijd aankomen, inchecken, wat geschenken kopen voor klanten, wachten op de vlucht. In deze fase zet ik mijn verstand op automatische piloot. Eenmaal in het vliegtuig, draai ik de knop in mijn hoofd om, en vergeet ik België. Ik probeer de tijd in de lucht zo nuttig mogelijk te gebruiken. Voor mezelf en voor het bedrijf. Met een mix van boeken lezen, meetings voorbereiden, wat Spaans studeren en een filmpje bekijken, gaat de tijd snel voorbij.

Al dat reizen kost het bedrijf veel geld. Je bent nooit zeker wat het opbrengt op korte termijn. Van de Japanners heb ik geleerd om zakenreizen te beschouwen als een investering op lange termijn. Maar, reizen kosten ook veel menselijke energie, zeker weten. Het put je uit zonder dat je het beseft.

Gelukkig gunt het bedrijf ons wel wat luxe. Vliegen we langer dan 4 uur, dan mogen we bijvoorbeeld in businessclass. Ik denk trouwens niet dat ik deze functie zou kunnen doen zonder dit soort 'cadeaus'. De job is soms enorm zenuwslopend, en daarom vind ik het de plicht van het bedrijf om de werknemers in de beste condities ter plaatse te brengen en te laten leven. Zoiets betaalt zich zeker terug.

Het is net als tijdens een oorlog: je moet je soldaten verwennen als je wil dat ze voor jou blijven vechten. Weinig soldaten zullen gemotiveerd blijven als ze met een lege maag naar het slagveld gestuurd worden.

Wat ik erg leuk vind aan zakenreizen is dat je dikwijls nieuwe mensen leert kennen. Dat begint vaak al met de persoon die naast je zit in het vliegtuig. Hoewel dit in businessclass wel eens tegenvalt. De meeste zakenmensen willen in eenzaamheid vliegen. Een beleefde groet, 'smakelijk eten' en 'tot ziens' is het volledige repertoire tijdens een vlucht van zes uur.

Gepost op 25 mei 2007

Ik vraag me dikwijls af wat de beste manier is om tot een beslissing te komen. Als manager of gewoon in het dagelijkse leven. Moet je beslissen op basis van je verstand of intuïtie?

Mijn ervaring is dat de rede mij veel mogelijkheden voorschotelt, maar me soms in de steek laat om de juiste er uit te vissen. Mijn intuïtie of 'buikgevoel' kiest uit al die opties vaak feilloos de beste. Ik denk dus dat je meer beroep moet durven doen op je intuïtieve kennis.

Daarom zorgt een mix van jonge en oudere mensen in een team voor een goede kruisbestuiving. Jongeren, en zeker kinderen, voelen bijvoorbeeld instinctief aan hoe mensen in elkaar zitten. Zoals bij de dieren, is dit een middel om te overleven. Vaak gaat intuïtie verloren bij de ontwikkeling van het verstand. Alleen in extreme situaties wordt ons verstand even uitgeschakeld. Dan durven we wel blindelings op onze intuïtie te vertrouwen.

Op dit vlak volg ik de Japanners bij het aanwerven van nieuwe mensen. Wat je gestudeerd hebt is een bijkomstigheid. Je diploma zegt iets, maar eigenlijk ook niets over jezelf. Kennis verwerven is maar een eerste stap. Uiteindelijk kan iedereen dat. Het is een kwestie van een normale begaafdheid en een bepaald doorzettingsvermogen.

Maar daarna volgt de ware test: een test die alleen de goede mensen doorstaan. Je moet de moed vinden om je rugzak met al je kennis erin, op te pakken en daarmee de wereld rond te trekken. Steeds verder trekken, weg van het startpunt, weg van wat de school je influisterde.

Voor mij komt het soms zielig over als mensen van pakweg 35 jaar nog steeds hun diploma als basis gebruiken om een job of promotie te behalen. Wat is die kennis nog waard? Geef mij maar moedige en fantasierijke collega’s.

Vandaag bezoek ik een producent van bouwmaterialen in het oosten van Turkije, Gaziantep. Samen met m'n Turkse collega neem ik in de vroege ochtend een binnenlandse vlucht vanuit Istanbul. Na meer dan twee uur vliegen landen we in een totaal andere wereld: een mengeling van Arabische, Koerdische en Turkse elementen. Het is moeilijk te geloven dat dit het land is dat ernaar snakt om de EU binnen te treden.

In de luchthaven worden we opgewacht door een van de grote bazen van het bedrijf. Zijn hele gevolg vaart in zijn zog. Vooral z'n gigantische snor maakt een overweldigende indruk op me. Mustafa vertelt me dat hij een selfmade man is die vanuit z'n garage een machtig plaatselijk imperium heeft opgebouwd.

Indruk maken is belangrijk in Turkije. Het haantjesgedrag bij de mannen is met de moederborst meegegeven. En dus rijden we met Mustafa's dikke Mercedes naar het bedrijf. Tijdens de rit wordt me duidelijk dat onze onderhandeling vooral op vertaling en lichaamstaal gebaseerd zal zijn.

Over zakelijke aspecten wordt er tijdens het eerste uur weinig gesproken. Voetbal, politiek, familie en plaatselijke roddels zijn de hoofdthema's. Opvallend is dat vijftien minuten Turks gebabbel overeenkomt met tien seconden Engelse vertaling.

's Middags eten we een lokale kebab. In het restaurant heeft Mustafa heel wat aanzien. Iedereen kruipt voor hem en voorbijgangers komen handjes schudden. De intimi mogen hem kussen. Aan onze tafel is er heel wat ambiance en het is geen ogenblik stil. De ene heftige discussie volgt de andere op. Ik heb het gevoel dat in Turkije niet zozeer de woorden belangrijk zijn, maar wel het vuur waarmee je ze uitspreekt.

Voor we terug naar het bedrijf gaan, wandelen we door de bazaar. Op een bepaald moment toon ik iets teveel interesse voor enkele kruiden. Mustafa geeft direct het bevel aan de verkoper om een zak te vullen met die specerijen. Ik besluit om niets meer aan te raken.

Als we in het bedrijf zijn, word ik zenuwachtig: Mustafa maakt nog altijd geen aanstalten om over een jaarcontract te spreken. Eerst moeten we zijn troetelkind omarmen en bewonderen: het productiebedrijf. Ook hier wordt hij op handen gedragen.

Pas op het laatste moment gaan we aan tafel zitten om over onze verdere samenwerking te praten. Het is hartverscheurend om te horen hoe slecht het gaat met zijn bedrijf. Ik krijg er bijna tranen van in de ogen. Maar dan komen de bikkelharde onderhandelingstechnieken boven. Meedogenloos maar met een brede glimlach probeert hij het onderste uit de kan te halen.

Uiteindelijk lukt het ons om een compromis uit te werken. De overeenkomst wordt bezegeld met een oosterse omhelzing en twee kussen op mijn wang. Mustafa's snor lijkt wel het spijkerbed van een fakir …

Gepost op 21 mei 2007

Deze week ben ik op zakenreis in Turkije. Rondtrekken in Turkije is een kleurrijke en intense ervaring. Het is een land vol hartstochtelijke emoties: er is constant een dualiteit tussen goed en kwaad. En bovenal: het is een paradijs van de gastvrijheid. Verder houd ik ook van hun dynamisme en flexibiliteit: je beseft hier elk moment van de dag dat er bloed door je aders vloeit.

Het wordt een overdrukke week: ik moest zaterdag al vertrekken om een aantal 'sociale' verplichtingen te vervullen. En nu heb ik nog 15 meetings in 4 dagen, verspreid over dat immense land.

Maar, mijn reis begint pas echt met … voetbal. Een belangrijke zakenrelatie, Mehmet-bey, heeft me namelijk uitgenodigd om de cruciale voetbaltopper bij te wonen tussen de nummers 1 en 2 van de competitie: Fenerbahce en Besiktas.

Voetbal is hier geen sport. Het is water en brood voor deze maatschappij. Iedereen heeft z'n favoriete club. De keuze voor een club zegt iets over je leven, je politieke gevoelens, je status en je familie. Iedere dag staan de kranten vol voetbaldetails, en er zijn speciale voetbal-tv-stations. Voetbal is in Turkije een goedaardig opium voor het volk, lijkt me. De godsdienst kan er in elk geval niet aan tippen.

De wedstrijd begint om 21 uur, maar we zijn al in het stadion om half acht, want de ambiance vóór de match is even belangrijk als de match zelf. De twee supporterclans vechten vooraf hun eigen wedstrijd uit. Een fanatieke en vooral erg vocale oorlog. Iedere club heeft eigen liederen. Op de grasmat staan de orkestleiders de supporters op te hitsen. Bedoeling is de andere te overtreffen, en daarvoor zijn alle middelen goed: duizenden vlaggen, vuurwerk, vooroorlogse muziekinstrumenten, maar vooral de Turkse hese kelen.

Ik sta perplex. Hiermee vergeleken is een U2-concert een kleuterschool. Mehmet-bey vraagt me of ik me neutraal wil opstellen. Ze kennen me niet in dit voetbalvak, en infiltranten lusten ze rauw. Als bewijs van mijn liefde voor de club moet ik met hem hand in hand de tribune instappen. Ik voel me er ongemakkelijk bij om zo door de meute te moeten laveren. Bovendien voelt het lichamelijk aanraken zoals Turken dat doen wat vreemd aan. Maar eens ik zit, geniet ik van het spektakel. Een Turkse voetbalwedstrijd is een opera. Een drama over leven en dood.

De uitslag heeft voor mij weinig belang, maar Fenerbahce wint de wedstrijd, en hiermee de hele competitie. Het is een catastrofe voor Mehmet-bey. Hoogstwaarschijnlijk troost hij zich met de gedachte dat een overwinning zinloos is zonder erkenning. Zijn ploeg blijft toch de beste …

Vaak vragen mensen me hoe het is om voor Japanners te werken. Da's een ingewikkelde vraag omdat het van veel verschillende dingen afhangt: je eigen houding naar Japanners toe, je positie in het bedrijf, je leeftijd en je geslacht. Daarom zijn er talrijke antwoorden mogelijk.

Maar één ding is zeker: er zíjn verschillen tussen de Japanse werkcultuur en de westerse. Om te beginnen zijn de verhoudingen binnen een Japans bedrijf heel sterk hiërarchisch. Hetzelfde met de verhoudingen tussen Japanse bedrijven onderling. Dit is niet alleen in de bedrijfswereld zo, maar ook op school, in sportclubs of zelfs tussen buren. Hiërarchie is de ruggengraat van gelijk welk Japans systeem. Zonder strakke lijnen loopt alles in het honderd.

Daarom is het moeilijk om risico's te nemen of creatief te zijn op de Japanse werkvloer. Een nagel die uitsteekt wordt meestal gelijk geslagen met de rest. Dit vind ik jammer want 'ongewone' werknemers kunnen meestal niet ontbolsteren. Dit soort mensen zie ik nochtans juist als een verrijking in een groep. Japanners denken eerder: wie in deze wereld omhoog wil komen, moet zich bukken. Dat komt neer op hard werken, nederig zijn en jezelf wegcijferen.

Wat wel positief is: Japanse bedrijven geven jongere werknemers de kans om veel bij te leren op een korte termijn. Ze investeren in het begin heel veel in je om je op een bepaald niveau te brengen. Als nieuwkomer moet je geen geslepen diamant zijn die direct schittert. Zij verkiezen de ruwe diamant, die ze zelf kunnen polijsten volgens hun eigen inzichten.

Verder ligt de nadruk op trouw en samenhorigheid. Het leven van een werknemer vertoont overeenkomsten met de militaire traditie. Je wordt geacht je loyaliteit voor het bedrijf te bewijzen. Dat doe je door overuren te maken of na het werk met collega’s of zakenrelaties uit te gaan. De onderneming wordt ook als een soort familie gezien. Heel vaak hoor ik dat 'iemand van onze familie' zoiets doet of niet doet.

Die trouw wordt dikwijls in een adem genoemd met respect voor de ouderen, wat gelijk staat aan superieuren, bazen of collega’s die langer in het bedrijf werken dan jezelf. In die context betekent trouw bijna altijd een verplichting tot blinde gehoorzaamheid aan de meester (het Japanse heilige woord is 'sensei'). Voor vele westerlingen is deze Japanse loyaliteitsethiek er in wezen een van onderwerping. Maar dat stoort me eigenlijk niet.

Wat me wél redelijk kwaad kan maken is hun definitie van het begrip 'waarheid'. De Japanse benadering van de werkelijkheid is wel héél flexibel. Volgens hen moet je altijd rekening houden met de situatie waarin je je nu bevindt. Wat gisteren waar was is vandaag niet noodzakelijk zo. De reden is simpel: de feiten zijn vandaag anders. Japanners kunnen hun overtuigingen voortdurend aanpassen aan de nieuwe situatie waarin ze zich bevinden. Zij beweren dat ze meer pragmatisch zijn, terwijl wij westerlingen vinden dat we ons aan universele en algemene morele waarden moeten houden.

Gisterenavond nodigde een Japans bedrijf me uit voor een zakelijke receptie. 't Was een ontmoeting tussen de Japanse zakenwereld en enkele zorgvuldig geselecteerde Belgen.

Zulke evenementen zijn goed voor de status van het bedrijf en de gastheer. Er wordt dus meestal op geen frank gekeken. Japanners doen sowieso erg hun best om goede en gulle gastheren te zijn: als het feest niet in de smaak valt bij de gasten, lijden ze gezichtsverlies. En dat is echt het laatste wat je een Japanner wil toewensen …

Gisteren was het niet anders. De receptie vond plaats in het chicste hotel van Brussel. De locatie van zo'n evenement is van het grootste belang is: het is het symbool waar alles mee staat of valt. Verder vloeide de gekoelde champagne rijkelijk en was de sushi overvloedig aanwezig.

Maar voor we van dit alles konden genieten, moesten we de vermaarde Japanse speechcultuur nog even ondergaan. Voor wat hoort wat. Eerst kwam het hulpje aan het woord, daarna de voorzitter van de club, en ten slotte de Japanse ambassadeur. Alles perfect getimed, maar met zo weinig inhoud … Japanse speeches hebben altijd dezelfde kenmerken: formeel, veel slogans, rond de pot draaien, af en toe grappig proberen te zijn, nederig maar met een redelijk zelfvoldane ondertoon.

In een van de speeches ging het erover wat de 6600 Japanners die in België leven van Brussel vinden. Wat bij hen in de smaak valt: de vele parken, de netheid in de stad (???), de goede restaurants, en vooral de toffe rode verkeerslichten in de vorm van hartjes. Die verkeerslichten vinden ze echt fantastisch. De spreker zei dat het door die hartjes komt dat de autobestuurders zo hoffelijk zijn in Brussel. Toen ontstond er algemene hilariteit in de zaal. Japanners vinden ons namelijk helemaal niet hoffelijk in het verkeer. Er circuleert hierover zelfs een mop in de Brusselse Japanse wijk: de Belgen zijn verplicht om een klever met de letter 'B' op hun wagen te hangen om buitenlanders te waarschuwen voor de 'Bad drivers'. Hahahaha.

Met een flink applaus werden de spreekbeurten afgesloten. Het festijn kon beginnen onder de begeleiding van een Japans strijkkwartet. De muzikanten zorgden niet alleen voor de achtergrondmuziek, maar gaven blijkbaar ook aan wanneer het feest afgelopen was. Om 20.25 uur eisten ze onze aandacht op voor een vleugje Mozart en om 20.30 uur verdwenen alle Japanners plots uit de zaal. Alleen de Belgen bleven over: verlaten en drooggezet. Dit was een voorbeeld van de macht van de Japanse indirecte communicatie. Er gebeurt altijd wel iets speciaals als Japanners zich mengen met mensen van een andere nationaliteit ...

Ik heb één grote obsessie in mijn leven: paarden.

Ik stam uit een paardenfamilie, toch zeker langs vaderszijde. De verering van paarden was constant aanwezig toen ik opgroeide. Iedereen moest er aan geloven. Zelf was ik er nog het minst door gebeten. Ik was vooral geïnteresseerd in voetbal. Maar de passionele liefde voor viervoeters is er dan toch gekomen toen we een afgedankt renpaard kochten. Harpath, een zwarte merrie. Elegant, atletisch en superlief. Maar ze had ook iets treurigs en onbegrijpelijks in haar karakter. Die combinatie sprak me erg aan en al vlug werd ze m'n lievelingspaard.

Nu zijn paarden een basisonderdeel van mijn leven. Op de boerderij van m'n ouders fok ik paarden. Ik heb hier drie jaar avondschool voor gevolgd. Momenteel heb ik er vijf. Ze zijn niet alleen bij ons geboren, ik heb ze ook zelf afgericht. Ze zijn echt een deel van de familie. Ik zet ze op hetzelfde niveau als mijn dichtste vrienden. Ik ken ze blindelings, en zij mij. Elk paard heeft zijn eigen karakter.

Voor veel mensen lijkt mijn band met paarden wat kinderlijk. Het is inderdaad sterker dan mezelf, maar het maakt me ook heel gelukkig. Als ik bij hen ben, vergeet ik binnen de vijf minuten al mijn stress en zorgen. Ze geven me een adrenalinestoot die me in een andere wereld doet belanden. Toen mijn laatste veulen, Fabian, werd geboren, had ik een heel moeilijke periode in mijn leven: ik moest een verloren liefde verwerken. Het zien opgroeien van Fabian en onze wederzijdse liefde, gaven me de kracht om er weer bovenop te geraken.

Als ik te paard door de natuur rij, is dat altijd een ongelooflijke, zintuiglijke ervaring. Het is iedere keer weer een avontuur. Het geluid van hoefgetrappel, de mix van elegantie en kracht, samen de natuur ontdekken in alle rust of in volle snelheid, de wind en de vrijheid, de geur van zweet (haast erotisch), de reactie van je paard op de druk van je benen, het even gaan verzitten op je zadel, …

Ik weet het, dit is wartaal of Latijn voor iemand die deze ervaring nooit heeft gehad. Maar ik zweer het: in een ander leven kom ik terug als een paard!

Ik hoor vaak dat ik moeilijk gezag kan aanvaarden. Dat was zo als kind, op school en zeker tijdens mijn legerdienst. En ook op het werk! Maar ik denk toch dat ik vooral in opstand kom tegen echte bazen, en niet zo snel tegen goede leiders.

In mijn huidige job moet ik zelf leiding geven. Daarom sta ik dikwijls stil bij vragen als 'wat is een goede leider?' en 'ben ik het waard om baas te zijn?'

Leiderschap moet je volgens mij eerst en vooral verdienen. In Japanse bedrijven gebeurt het af en toe dat iemand baas wordt omwille van administratieve redenen. Wel, dat draait meestal op een ramp uit. Zulke bazen willen hun omgeving controleren. Dat geeft hen een gevoel van macht en veiligheid. Ook bij ons zie ik dat zulke chefs zich omringen met jaknikkers. Dat meehuppelen met mensen boven me kan ik niet. En ik wil ook niet dat de mensen, waarmee ik moet samenwerken, dat doen.

Een goede baas slaagt erin om mensen rond zich te verzamelen die hem willen en kunnen volgen zónder plichtmatige dwang. Ik denk dat uitstraling hierbij erg belangrijk is. Charisma is de beste en de sterkste magneet. Jammer genoeg zijn charismatische leiders als witte olifanten op de maan. Uiterst zeldzaam dus.

Een leider moet ook een 'mooie' mens zijn, vind ik. Iemand met een sociale agenda, die achter je staat bij een beslissing en die voor je opkomt als dat nodig is. Ook al komt dat hem soms niet goed uit.

Al deze zaken uiten zich in de kleinste details binnen een menselijke relatie. Daarom kijk ik hoe een baas glimlacht, een hand geeft, mensen onderaan de ladder aanspreekt …

Ik geloof trouwens ook sterk in het idee dat je de leiders krijgt die je verdient. Maar het is dagelijks een zwaar labeur, van beide kanten.

Ik ben Steven, 45 jaar jong. Nu woon ik in Brussel, maar ik ben geboren en getogen in Brugge. 'k Voel me nog steeds een Vlaming ondanks het feit dat ik al 15 jaar de buurman ben van ons koningshuis in Laken.

Na mijn studies en legerdienst ben ik in de reclamewereld gaan werken. Mijn toenmalige vriendin gaf me die inspiratie. Maar al vlug vond ik dat wereldje te opgeblazen en vluchtig. Bovendien was m'n vriendin toen al gaan vliegen ...

Daarna kwam ik bij een Japanse multinational terecht waar ik nu nog altijd werk. Ik heb er onlangs mijn twintigste jobverjaardag gevierd! Misschien heb je nu medelijden met me, maar dat hoeft niet: ik voel me redelijk goed in mijn vel. Mijn kennissen beweren af en toe wel dat ik een halve Japanner geworden ben. Ik ben inderdaad nog steeds een klein radertje in een mastodont van een bedrijf. In Japan is het bedrijf zelfs een heus staatssymbool. Buiten Azië is het minder bekend omdat het zich low profile wil opstellen.

De voorbije jaren heb ik verschillende jobs gehad binnen dit Japans bedrijf. Het hoogtepunt in m'n leven was een driejarig verblijf in Japan (Tokyo) waar ik in het hoofdkantoor werkte. Zowel persoonlijk als professioneel was dat een ongelooflijk boeiende confrontatie. Het was heel vaak door de zure appel heen bijten, maar de nasmaak was fantastisch.

Momenteel werk ik op de commerciële afdeling in het Brusselse kantoor. Ik ben er sinds kort verantwoordelijk voor alle activiteiten van onze groep in het Midden-Oosten. Ik vorm een soort brug tussen de Arabische cultuur en het Japanse management in Europa. Een enorme uitdaging om die twee compleet verschillende werelden op dezelfde golflengte te laten communiceren! Het is een job met heel wat zakenreizen: ik ben ongeveer 120 dagen per jaar een Vlaming op en in de vlucht.

Naast werken, doe ik ook nog andere dingen. Ik heb een aantal passies. Mijn top 3: paarden, reizen en vrijwilligerswerk. Een rare combinatie, ik weet het. Veel mensen beweren dat ze kop noch staart aan mij kunnen krijgen.

Misschien kan ik deze maand een tipje van die sluier oplichten …