U bent hier

Manager Steven - augustus 2010

fabian

Terwijl ik de afgelopen weken de binnenlandse politiek wat probeerde te volgen, viel het me op dat er nog heel wat taboes bestaan. Bijvoorbeeld de uitbreiding van Brussel of het nemen van Waalse verantwoordelijkheid. Daarop lijkt een heilig spreekverbod te rusten. Maar… laat taboes er voor mij nu net zijn -zoals dat ook geldt voor tradities- om doorbroken te worden.

Mijn uitgangspunt is: spreken over datgene wat taboe is, zal er op termijn voor zorgen dat het geen taboe meer is. Onder andere daarom was ik vier jaar vrijwilliger bij de zelfmoordlijn. Ik probeerde er taboes zoals zelfmoord, huishoudelijk geweld, incest en alcoholverslaving bespreekbaar en dragelijker te maken.

Taboes bestaan niet alleen in Vlaanderen. Dat is me al dikwijls opgevallen op mijn buitenlandse zakenreizen. Zelfs het woord ‘taboe’ is internationaal. Zo is het Japans voor taboe ‘tabuu’. In het Duits, Spaans, Zweeds, Pools en Turks spreekt men van ‘tabu’. In het Engels wordt dat ‘taboo’, in het Frans ’tabou’ en in het Esperanto ‘Tabuo’.

Ieder land heeft zo zijn eigen taboes. In Japan is het heel ongepast om over de Keizerlijke familie te spreken. Of over de rechten van de minderheden in hun land. Ook de rol van Japan tijdens WO II bespreken is ‘not done’. En helemaal uit den boze is het om het over de Yakuza -een Japanse criminele organisatie à la de Westerse maffia- te hebben. Het is zelfs een zwaar taboe om op kantoor je kleinste tatoeage te laten zien, omdat dit onmiddellijk geassocieerd wordt met de maffia.

Ook bij mijn Duitse collega’s is de oorlog een heikel punt. Zeker bij de jongere generatie. Die rolt zich direct op als een egel en smoort het onderwerp in de kiem met de oneliner: ‘Onze generatie heeft daar niets mee te maken!’ Klopt. Maar waarom kan er niet gewoon over gesproken worden? Is het schaamte? Of onverwerkte afschuw?

Bij mijn Indische vrienden probeer ik soms een duidelijker beeld te krijgen over hun kastensysteem. Maar de enige reactie die ik dan krijg, is een paar hoofdschuddende bewegingen en een verweesde glimlach die snel uitsterft.

En als ik bij mijn Turkse of Arabische collega’s ‘niet bestaande realiteiten’ zoals homoseksualiteit, verdoken alcoholconsumptie of de ongelijkheid tussen man en vrouw wil aankaarten, krijg ik banvloeken over me heen.

Taboes zijn voor mij als verboden vruchten die ik telkens weer probeer te plukken, wat niet zelden tot oververhitte discussies leidt. Over sommige zaken spreek je nu eenmaal niet.
 

Na dit pleidooi zul je waarschijnlijk denken dat ik zelf volledig immuun ben voor taboes. Maar helaas. Driemaal helaas. Ook ik heb een taboe, meerbepaald een paardenvleestaboe. Ik hou van paarden -ik heb er zelf-, dus als ik in het warenhuis paardenvlees zie liggen, moet ik mijn ogen sluiten. Anders voel ik me medeplichtig aan moord. Ik mag er niet aan denken dat mensen ooit van mijn lievelingspaard Fabian (zie foto) zouden peuzelen. Alleen al door erover te schrijven, voel ik mij al een bloeddorstige kannibaal met een paardenbeen door mijn neus!

 

Het is moeilijk om aan buitenstaanders uit de doeken te doen wat het nu juist betekent om voor een Japans bedrijf te werken. Er bestaan zoveel misverstanden over dat ik soms tegen de ‘Sake-kaai’ moet vechten om mijn toehoorders te overtuigen van hoe het er echt aan toegaat.

Een voorbeeld van zo'n misverstand is dat Japanse bedrijven levenslange arbeidscontracten geven. Vroeger klopte dit wel: een afslanking was toen een ondenkbaar, economisch wapen. De economie kende een constante groei en de bedrijfsstrategie was: ‘Ik wil de grootste zijn’. Hoe meer werknemers, hoe beter. Bovendien was het ontslaan van medewerkers een schande voor de baas in kwestie. Een ontslag betekende dat hij de verkeerde mensen geselecteerd had en dus gefaald had. Gevolg: in de meeste bedrijfstakken trof je heel wat duur, maar dood hout aan. Sommige bedrijven hadden een hele verdieping managers die niets uitvoerde!

Maar nu we in een wereldwijde recessie zitten, liggen de kaarten anders: arbeidscontracten zijn niet meer levenslang. Japanse bedrijven werken nu ook soms hun medewerkers met de grove borstel buiten.

Contradictorisch genoeg, verwacht ons Japans management toch nog altijd dezelfde loyaliteit en overgave van ons als vroeger. Als ik een nieuwe zakenrelatie ontmoet, moet ik nog altijd eerst zeggen bij welk bedrijf ik werk, en dan pas hoe ik heet. Ik sta letterlijk en figuurlijk achter mijn bedrijf, niet ervoor. En er wordt nog altijd verwacht dat we ons hele leven bij ‘de familie’ blijven en tevreden zijn met een langetermijnvisie. Met die langetermijnvisie bedoel ik bijvoorbeeld een laag beginsalaris dat elk jaar gestaag groeit, los van de marktsituatie. En een geleidelijke stapsgewijze promotie die jaren in beslag neemt.

Vroeger was die loyaliteit en overgave logisch. Ze maakte deel uit van een soort ruilhandel: in ruil kregen we de garantie op een levenslange job en een mooie carrière. Maar nu is die garantie er niet meer... Het logische gevolg is dat heel wat collega’s beginnen uit te kijken naar een andere job waarin ze wél loon naar werk krijgen en op kortere termijn carrière kunnen maken. Of ze onderhandelen tevergeefs met ons Japans management om op korte termijn betere voorwaarden in de wacht te slepen.

De laatste weken heb ik dan ook veel collega’s zien vertrekken. Dat doet me iedere keer weer hartzeer. Vaak werkte ik jaren met hen samen en heb ik echte vriendschapsbanden met hen gesmeed. Bovendien heb ik het gevoel dat ik tussen hamer en aambeeld zit: mijn collega’s hopen dat ik het Japanse management kan overtuigen om hun verlangens en wensen op korte termijn in te vervullen, maar ik weet dat dit een illusie is. Het Japanse management eist nog altijd een hondse trouwheid en gelooft dat hun langetermijnvisie de enige weg is naar het nirwana. Soms voel ik me een brokkenlijmer die niet slaagt in zijn opzet...