U bent hier

Manager Steven

Mijn levensleuze wordt -iedere dag dat ik iets ouder word- een steeds groter levensdoel: ik stap elke dag uit mijn bed met de gedachte dat het een dag moet worden die ik de komende tien jaar niet wil vergeten.

Afgelopen 14 november was er mij zo’n dagje.

Zat ik toen op een romantisch spierwit zandstrand met wuivende palmbomen en een smachtende exotische temptation-cocktail in de hand? Neen, ik trok die dag met enkele Japanners in België rond als een ronddollende en dolende missionaris.

14 november was de dag van de voetbal-non-klassieker België - Japan in Brugge. 

Ik moest de Japanse aftrap geven toen ik ’s morgens om kwart na acht werd opgebeld door een Vlaamse radiozender om mijn gedacht over het Japanse voetbal en de Japanse sportcultuur te geven. Altijd vreemd om je eigen stem in de ether te horen en zeker om eens te kunnen praten met een journalist die zo vertrouwd klinkt maar die je nog nooit hebt gezien.

Mijn uitgangspunt was duidelijk: Japanners zijn de grootste egoïsten als ze op het voetbalveld rondcrossen terwijl ze op de werkvloer de grootste teamplayers zijn of zouden moeten zijn. De ware aard van het beestje komt naar boven als de gedachten op nul worden gezet. 

België - Japan = 1-0

’s Middags had ik bij mij thuis -in de omgeving van Brugge- een vergadering gepland met onze belangrijkste Japanse zakenpartner. Dit als voorbereiding van een grote contractbespreking met een Franse multinational maar vooral: om daarna samen naar de voetbalwedstrijd te gaan.

Japanners vinden het vreemd dat je je privéwereld laat samensmelten met het professionele gedeelte van je bestaan, maar ik denk net dat dit een sterkte is. Door een inkijk te geven in je persoonscocon, krijg je een sterkere en beter uitgebalanceerde positie, ook al stel je je hierdoor kwetsbaarder op.

Ik had de open haard aangepookt en serveerde koffie en moorkoppen. De sfeer veranderde al snel van gereserveerdheid in een gezellige en constructieve meetingattitude met de gewenste resultaten.

België - Japan: 2-0

Voor we het voetbalstadion binnen laveerden, had ik een gezellig restaurant geboekt in een klein dorpje nabij het stadion. ‘Het Oud Gemeentehuis’ deed onze Vlaamse keuken en gemoedelijkheid alle eer aan. De Westmalles en het everzwijnstoofpotje lieten de Japanse heimwee naar sushi en tempura in zwijm vallen. ‘Oishii’ en ‘umai’ waren de Japanse superlatieven. 

Eten en alcohol zijn in de zakenwereld niet zelden de juiste drug om de zeden te verzachten en het water bij de wijn te laten blenden. Een voltreffer.

België - Japan: 3-0

Om half acht op naar het voetbalstadion. Gelukkig ken ik de omgeving als mijn broekzak zodat we de enorme files en parkeerschaarste konden ontwijken. Onze Japanners zagen de verkeerschaos en ongecontroleerde mensenmassa. Het eerste gezucht en Aziatische ongeloof op de kabuki-maskers kwamen tevoorschijn.

Bij de ticketcontrole was het een en al amateurisme. Ondanks de classificatie van ‘risicomatch’ moest ik als Vlaming bij de Japanners in het bezoekersvak. Ongeloof bij mij, zeker toen de stewards beweerden dat ik mij tijdens de boeking had voorgedaan als Japanner. Toen ik mijn West-Vlaamse familienaam op mijn ticket toonde was hun enige reactie: dat is raar... Bizar, zeker als je weet dat we met meer dan 300 Belgen in vak 421 van de Japanse bezoekers moesten samenhokken.

De wedstrijd van de Belgen was een dikke belabberde nul. De supporters keken als konijnen naar een lichtbak met de uitstraling van glimwormen in plaats van vonkende helden. Wat een gebrek aan beroepsernst als je weet wat wij doen om hen te komen aanbidden. SCHULDIG VERZUIM.

Gelukkig was de sfeer en ambiance tussen de Japanse fans van topniveau. Vanaf het begin tot aan het eindfluitje pompten ze met hun trommels het Japanse ritme erin terwijl de backing vocals ‘Nippon’, ‘Nippon’ scandeerden. Zeker de helft van de Japanse fans in Brugge was vrouwelijk. Dit is ook zo in de Japanse nationale competitie. Het zijn vooral de jonge meiden die de voetbalgoden aanbidden zonder echt veel van het voetbal te snappen. Daarom waren ze ook zo goedgemutst. Ze kirden van plezier wanneer de bal in het Japanse kamp vertoefde en zeker toen hun doelman Kawashima een bal moest oprapen. Wat een beroepsernst als supporter!

Het Japanse koppel dat naast me zat had hun baby van vijf maand meegebracht die ze tijdens de rust kleine klompjes sushirijst gaven. Dat ze hun baby meebrachten is echt wel een bewijs dat ze geloven dat sport mensen vredelievend samenbrengt. 

Ze gaven tijdens de wedstrijd zelf het goede voorbeeld: ze waren supervriendelijk, lachten, vroegen beleefd of we een foto van hen wilden nemen en deelden snoepjes uit aan de vele kleine Japanse peuters die mochten meekomen.

Hun vredelievendheid werkte aanstekelijk en maakte van hen een medestander in plaats van een tegenstander. De kracht van de zachtheid stond die avond in volle bloei.  

Hiermee scoorden de Japanners een prachtige en onvergetelijk hattrick.

België - Japan : 3-3 

En ik? 

Ik heb opnieuw een juweeltje in mijn levenskampioenschap kunnen binnenkoppen. Een dag van mijn leven die ik zeker tien jaar zal kunnen blijven koesteren dankzij die enige Vlaamse held Jan Breydel die op niveau wou acteren. In het land der blinde voethelden is de eenogige hofnar Jan, de koning!"

nest
© Shutterstock

Mijn bureau is ontslagen voor perfecte bewezen diensten! Ons management besliste om het bedrijfsgebouw te verkopen waar ik 24 jaar in heb geleefd en gewerkt. Het was alsof mijn zelf opgebouwd ‘werk-nest’ in mijn arbeidsboom ongenadig omver gehakt werd door een management dat op zoek gaat naar een meer prestigieuze locatie.

Het gebouw waar ik werkte voelde zo vertrouwd aan als mijn ouderlijk huis. Ik had er een emotionele band mee opgebouwd: de geur, de sfeer, de locatie, de bomen, de brandweerkazerne waar ik op uitkeek en vooral: de 'schoonheid in zijn rimpels'. Het gebouw was een onderdeel van mijn professioneel bestaan dat mij een bepaalde zekerheid, trots en arbeidsvreugde schonk. Ik besefte dit iedere keer weer als ik me op mijn bureaustoel nestelde na een van mijn ontelbare zakenreizen.

Mijn Japanse bazen kennen die emoties niet voor ons gebouw: zij blijven maximaal vier jaar en vertrekken dan weer naar Japan. Voor hen is het eerder een transit kamp. Ze voelen er geen liefde voor.

Het gebouw -dat eigendom was van ons bedrijf- was welgeteld 30 jaar oud. Blijkbaar was het niet meer sexy genoeg om er nog geld aan te spenderen en een paar klassieke ouderdomskwaaltjes uit de wereld te helpen. De airco had af en toe vapeurs, de waterleiding had soms geen controle over zijn kleine lekkages en het tapijt had grijze haren achter zijn oren. Ik vond dat het gebouw recht had op een facelift zodat het met waardigheid oud kon worden.

Helaas dacht ons management daar anders over. In het begin deden ze heel geheimzinnig want ze beseften al snel dat een verhuis naar een andere werklocatie een heel delicate zaak is. We hadden natuurlijk allemaal onze verzuchtingen maar voor een kantoor in Brussel is de bereikbaarheid onomstotelijk het grootste heikele punt. Als management kan je niet voor iedereen goed doen en moet je een compromis zien te vinden tussen wie met het openbaar vervoer komt en met de wagen.

Het domste wat je kan doen is het gevoel opwekken dat medewerkers medebeslissingsrecht hebben omtrent de nieuwe locatie. Ons management heeft dat gedaan door ons te laten stemmen op een short list en door een groep medewerkers een aantal mogelijke locaties te laten bezoeken. Uiteindelijk hebben ze toch gewoon hun zin doorgedrukt. Gevolg: nog meer gemor met uiteindelijk een uitgebluste berusting bij de werknemers en een gevoel van: trek je plan met je verhuis.

Een heel gevoelig punt bij de jonge generatie was ook de omgeving van ons nieuw kantoor. Waren er genoeg mogelijkheden om over de middag iets te gaan eten, waren er winkels in de buurt, was het wel veilig. Het management focuste daar echter niet op. Vooral de uitstraling van het gebouw was belangrijk en ook wel een klein beetje de kostprijs. Maar bovenal: het gebouw moest splinternieuw zijn want ze moesten een perfect alibi vinden voor het feit dat ons ouderlijk kantoor zijn C4 had gekregen.

Uiteindelijk zijn we in een net afgewerkte building terechtgekomen met negen etages, middenin de Europese wijk. We hebben nu een landschapsbureau. Ik heb eerder het gevoel dat ik een legkip ben in een callcenter dan dat ik in een kweekvijver zit waar creatieve ideeën en goede bedrijfsresultaten kunnen ontbolsteren.

We hebben wel een gezellige coffee corner, een moderne keuken en acht vergaderruimtes voor 30 werknemers. Maar als toetje heb ik ’s morgens drie uur file om naar deze place to be te komen. Voor wat, hoort wat.

eendje
© Shutterstock

Na de terroristische aanvallen, vroegen al mijn collega’s van over heel de wereld -van Nieuw-Zeeland tot Saudi-Arabië-  of mijn familie, collega’s en ikzelf oké waren. Ze waren in shock en konden niet begrijpen dat ik in Brussel wil blijven wonen.

In de internationale zakenwereld wordt Brussel stilaan het échte lelijke eendje. Vroeger was het vooral een lelijk hebbeding omdat het vuil en slordig is, onbegrijpbaar en moeilijk bereikbaar. Maar je kon er toch een bepaalde sympathie voor koesteren als je er een poosje mee samenleefde en het wat beter begon te begrijpen.

Maar het het imago van een sluikse underdog die liefde opwekt, is nu veranderd in een gevaarlijke bijtende bulldog. Een gedaantewisseling die een negatievere impact heeft en van langere duur kan zijn dan vele politiekers laten uitschijnen.

Ik spreek op basis van mijn dagdagelijks ervaring met Japanse en Amerikaanse multinationals. Door de aanslagen geldt er in veel buitenlandse bedrijven nog steeds een totaal reisverbod naar België. België zit in dezelfde risico-categorie als Israël. Dat is een blaam voor Israël: ik denk dat het in Tel Aviv veiliger is dan in Brussel omdat er daar al jaar en dag een strikte controle plaatsvindt.

En geloof het of niet: door ons verminkte ‘Maalbeek’ mogen wij van ons bedrijf niet eens meer het openbaar vervoer gebruiken om binnen België op zakenreis te gaan. Te gevaarlijk!

Vroeger ontmoette ik af en toe buitenlanders die het metrostation ‘Maalbeek’ verwarden met de Libanese streek ‘Malbec’. Een vreemde maar rake vergelijking. Er is op beide plaatsen een clash van verschillende culturen, overgoten met een religieuze saus die ze vervolgens flamberen. Misschien is dit de reden waarom de islamitische fundamentalisten net dit metrostation uitkozen.

Niet alleen de fysieke terreur, maar ook de mentale terreur van onveiligheid heeft zware gevolgen. Ons kantoor in Brussel heeft een negatieve stempel gekregen en dit zet een domper op onze activiteiten. Wij mogen bijvoorbeeld geen internationale conferenties meer organiseren. De conferentie die bij ons gepland was is nu verplaatst naar Düsseldorf. En we kunnen geen projectvoorstellen meer maken voor Belgische investeringen omdat we ‘te risicovol’ zijn. Dit leidt ertoe dat ons kantoor een stuk macht verliest.

Kunnen we die Japanse en Amerikaanse multinationals laten behandelen voor paranoia? Ik vrees dat dit weinig zal uithalen. Zij beschouwen ‘dokter Brussel’ net als de zieke patiënt die behandeld moet worden.

Een van onze zusterbedrijven heeft de koe reeds bij de horens gevat. Hun kantoor in Brussel wordt gesloten en verhuist naar Vlaanderen. Ook wij zijn al een tijd van plan om te verhuizen. Vroeger was het centrum van Brussel een optie, maar nu is er hier meer dan een beetje twijfel over.

Ik ben al 30 jaar een Vlaamse Brusselaar, maar nu voelt Brussel voor mij als een ex-lief aan. Ik voel er wel nog iets voor maar steeds minder en minder na een hele reeks ruzies en bedriegerij. Er is nog iets, maar meer en meer niets.

 

wild dier
© Shutterstock

In augustus had ik professioneel mijn hoogtepunt van het jaar, maar ondertussen is het mijn grote ontgoocheling van 2015. Van een mooie, fladderende vlinder naar een kruiperige rups! Van een metamorfose naar 'retro'-morfose.

Ik werd in augustus -samen met dertig andere collega's die afkomstig waren uit de hele wereld- uitgenodigd naar Londen voor een intensieve training over 'bedrijfsinvesteringen in Afrika'. De training werd gegeven door Oxford universiteit. Het was net alsof we op retraite waren. Opgesloten in een prachtige aula, de ene boeiende presentatie na de andere en daarna afsluiten met een gemeenschappelijke lunch. In de namiddag hadden we groepssessies waarin we brainstormden en onze resultaten en plain public moesten verdedigen bij het topmanagement. 

Iedere dag werden we wat meer Afrikaans en van de 30 losse mensenblokken werd naar het einde van de week een stevige zendingspost gebouwd die alle woestenijen van het zwarte continent konden weerstaan. De meeste deelnemers waren laaiend enthousiast over de nieuwe inzichten en kennis, de nieuwe ideeën en strategieën van ons bedrijf en het gevoel dat het topmanagement in ons geloofde als toekomstige ontginners van het zwarte goud.

Met volle moed vlogen we terug naar onze thuisbasis en gingen met een zak vol nieuwe projecten aan de slag. De beginfase van de opvolging verliep al stroef. Het verzoek om een taskforce team op te zetten, gingen ze later bekijken. Mijn drang om een duidelijke structuur op te zetten en concrete verantwoordelijkheden te leggen bij ieder persoon, deed bij heel wat mensen aan de top maar ook bij een aantal deelnemers de wenkbrauwen fronsen. Mijn eerste voorstel om een project op te zetten in Tanzania werd een doodskreet van een wildebeest in de Serengeti.

Ons bedrijf heeft zoveel geld betaald voor de training, en nu blijkt dat het in een bodemloze put gestort is. Ik heb deze ervaring zo dikwijls en word er moedeloos van. En soms ook heel cynisch, beweren mensen uit mijn omgeving. 

De kampioenen zijn sowieso de politiekers. Om de zoveel dagen slaan ze ons om de oren met nieuwe wetten en maatregelen. In verband met hun goede bedoelingen kan je in de politiek dikwijls vraagtekens plaatsen. Over de juiste uitvoering ervan moet je bijna altijd een vraagteken plaatsen. Doordat de levensduur van de bedenkers redelijk kort is, verkondigen ze alles holderdebolder. De implementatie zullen ze dan wel later regelen.

De vicekampioen, die heel dicht aanleunt bij de politiek, is het bedrijfsleven. Nieuwe bazen staan synoniem voor nieuwe slogans en nieuwe strategische wendingen. Veranderen om te veranderen want als nieuw baasje heb je het nu een tijdje voor het zeggen.
Hier is de motivatie van de goede bedoelingen in eerste plaats 'persoonlijk belang'. In de politiek eerder van groeps- of partijbelang. Nieuwe bazen willen bewijzen dat ze beter en vooral anders zijn dan de vorige. Ze weten vaak amper waarover ze spreken en vallen daarom terug op vorige recepten en ervaringen die in hun vorig werkleven wel levensvatbaar waren.

Ook in ons persoonlijk leven hebben we een overdaad aan uitverkoren bedoelingen en goede voornemens. Zeker in het begin van het nieuwe jaar. Minder hooi op onze vork nemen, meer sporten, minder ongezond leven, nieuwe uitdagingen aangaan en vooral: liever zijn voor onze medemens. Hopeloos en ongeloofwaardig.

Ik wens jullie een 2016 met 1 of 2 goede voornemens, maar dan wel met een een perfecte realisatie ervan, zonder enige excuses waarom het net niet lukte. Ik ben er rotsvast van overtuigd: je zal er zelf zoveel gelukzaliger door worden en de andere mensen zullen zoveel meer bewondering voor je hebben.

haan
© Shutterstock

Het einde van het werkverhaal van oudere werknemers doet me dikwijls aan een ouderwetse kippenboerderij denken.

Zolang je als haan in vuur en vlam de hennen goed kan bespringen en de kuikens beschermt tegen rovende eksters, ben je de koning! En zolang je -als hen- dagelijks een ei met een dikke schaal legt en voldoende geduld hebt om je eieren uit te broeden, krijg je graan met hopen! Maar voldoe je niet meer aan de strenge verwachtingen van kiekenboer Kamiel, dan heeft hij geen medelijden en kost het je je kop. Je eindigt je carrière als kippenvoer of in het beste geval als vol au vent.

Niet alleen de boer is meedogenloos: de grootste afslachtingen en vernederingen, mag je van je medesoort verwachten. Als oudere haan, moet je met de andere hanen een gevecht aangaan dat kan leiden tot leven of dood. Blijf je leven, dan heb je maar één optie: een desolaat en solitair leven accepteren waarin je geen pieren meer mag wegpikken voor de bek van de nieuwe leider en vooral: waarin je geen aanstalten meer mag maken om een van de kipjes onder je vleugels te nemen. De hennen gunnen je trouwens geen scheef oog meer ondanks de 1001 wilde vrijpartijen van de romantische jaren ervoor. Ze aanbidden van de ene dag op de andere hun nieuw baasje.

Ben je een bomma-hen, dan doen de jongere kippen er alles aan om je een trap lager te plaatsen in de pikorde. Bovendien word je stap voor stap uitgehongerd. Je kan als oude moederkloek enkel de resterende maïskorrels verorberen als de rest geen honger meer heeft. De laatste episode voor je als uitgemergelde kip op pensioen gaat, is het dagelijkse gehoon-gekakel van de andere kippen die nog eieren produceren en op je willen ‘kakken’. Op je afscheidsreceptie pikken ze je als een weerloos slachtoffer dood en verorberen je met plezier. Als souvenir bewaren ze een paar van je mooie lang gekoesterde rosse pluimen. Het erge is dat ze die in hun eigen achterwerk proberen te steken om ermee te pronken bij hun nieuwe idool.

Is het belachelijk om oudere werknemers te vergelijken met kippen? Verdomme, neen. Hoeveel mensen hebben een mooi einde van hun loopbaan? Ze zijn in veel bedrijven op één hand te tellen. Ik heb er in ieder geval weinig ontmoet.

Toevallig maken twee van mijn collega’s momenteel zo’n ‘kieken-uitrangeer’-moment mee. Ze zijn 63 en 64, en werkten allebei meer dan 40 jaar voor dezelfde onderneming. Ze verliezen stap per stap hun bevoegdheden, voor belangrijke meetings worden ze niet meer uitgenodigd en ze krijgen geen training meer omdat dit als verloren geld beschouwd wordt. Onze bedrijfsleiders zijn echter niet de enige boemannen. Mijn jongere collega’s zijn even erg: ze lachen met de oude ‘peetjes’ die niet meer op dezelfde hoge golven kunnen surfen. Van hun bazen konden ze dit nog verwachten, maar van hun directe collega’s niet. Deze uppercuts moeten dan ook extra hard aankomen. Ze zijn er niet tegen gewapend en daarom doen ze zoveel meer pijn. En dan heb je nog de grootste lijkenpikkers: collega’s die hun verantwoordelijkheden en job overnemen. Die nieuwe ‘high potentials’ willen bewijzen dat hun voorgangers hun job verkeerd, inefficiënt en met weinig toekomstvisie hebben aangepakt. Daarna verpakken ze de mooie realisaties van de vorige personen in een ander kleedje en vervangen gewoon het naamplaatje.

Ik vind dit zo ondankbaar en dierlijk. Maar raar maar waar: het is 100% menselijk.

Er zijn maar twee groepen die dit lot niet moeten ondergaan. Om te beginnen de personen die helemaal op de bovenste stokken van de kippenren zitten. De top-haan zal altijd top-haan blijven omdat hij alle hanengevechten heeft willen aangaan en tot bloedens toe steeds heeft kunnen winnen. Die vechthaan zal wel meer dan haantjesgedrag moeten etaleren. Daarnaast heb je de medewerkers die zich altijd vol plezier onderaan hebben genesteld. Als je kiest voor de zekerheid van de koffiedame Arabelle zal je tot het einde van je dagen respect krijgen van de werkenden. Je bent niemands gevaar als dienster en vooral: niemand lust die groene wormen die jou in de zevende hemel brengen.

moskee
© Shutterstock

Ik kreeg uit Dubai een romantisch ontworpen kaartje om me veel sterkte toe te wensen en om een gelukkige ramadan te beleven, samen met mijn familie. Het gaf me een kriebelend gevoel. Wellicht hetzelfde gevoel dat wij oproepen als we kerstkaartjes op de bus doen naar mensen die Kerstmis niet onder de kerstboom vieren.

Ik voel als niet-moslim meer en meer het belang van de ramadan in de internationale zakenwereld. Het hele bedrijfsleven draait in die periode al heel vlug op een veel lager pitje. De bedrijven waarmee we samenwerken draaien op heel beperkte capaciteit, beslissingen en projecten worden uitgesteld, meetings kunnen niet plaatsvinden en telkens komt het magische woord ‘ramadan’ als verklaring.

Tijdens de ramadan krijgen we ook van al onze bedrijfskantoren uit de Arabische wereld boodschappen om ons op de hoogte te brengen van de andere werkuren. De meeste van onze Arabische bedrijfsbroeders houden het rond 15 uur voor bekeken op het kantoor en gaan terug naar huis om het avondmaal bij zonsondergang af te wachten.

In landen als Turkije moet elke werknemer meedelen aan zijn baas of hij al dan niet meedoet aan de ramadan. In ons kantoor in Istanbul was ik getuige van een verhitte discussie onder een aantal collega's. Enkele werknemers die niet participeerden, wilden ook een uur vroeger naar huis omdat ze tijdens de lunchperiode doorwerkten. Maar dat mocht niet volgens de moslims die wel de vastenreiniging ondergaan. De flexibele uurregeling is enkel weggelegd voor de echte moslims, aldus de praktiserende.

Ik was verrast te zien dat slechts de helft van ons Turks kantoor meedoet aan de ramadan. Blijkbaar zijn het vooral de minder opgeleide mensen en vooral arbeiders met de zwaarste arbeidsomstandigheden die plichtsgetrouw de hele dag niet eten of drinken. Voor mij is het niet te begrijpen dat een godsdienst mensen die aan machines staan bij weersomstandigheden van 35 à 40 graden kan opleggen om geen glas water te drinken. Dit is geen reiniging van je lichaam maar een vergiftiging van je eigen bloed, en dat zal ieder medisch onderzoek kunnen bewijzen. Een mens is toch geen kameel die dagen lang zonder drinken kan gelukkig zijn! Een mens is maar een mens, ook in de moslimlanden.

Zelf haatte ik als kind ons katholiek vasten hartstochtelijk, want dan moesten we vanaf Aswoensdag al onze koekjes en ons snoep in een doos bewaren tot het paaszaterdag was. De enige boodschap die ik van deze ‘genots’-lastering heb meegedragen in mijn leven nadat ik iedere keer met slecht geworden koekjes werd geconfronteerd op die verdoemde zaterdag: geniet van de goede dingen wanneer ze zich aanbieden, want de eerste moet nog komen uitleggen dat het paradijs lekkere deegkoekjes zal aanbieden.

Onlangs was ik uitgenodigd op een reünie van 10 mensen waarmee ik 30 jaar geleden afstudeerde. We hadden elkaar in die lange periode nooit meer teruggezien.

Toen we samen studeerden, waren we in onze prille twintigerjaren. We feesten vele nachten samen en maakten toekomstvoorspellingen over ons leven en onze professionele carrière. Nu, 30 jaar later, was ik erg benieuwd om te zien wat er van al die dromen in huis was gekomen.

Het was heel vreemd -zelfs choquerend- om vast te stellen dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Blijkbaar verandert je karakter na je twintigste niet meer echt en is het erg dominant voor je latere levenswandel.

Ik merkte dat de mensen die als student al heel ambitieus waren, dat nog altijd in grote mate zijn. Dat de rustige Limburgers van toen, nog altijd in de purperen heide fluiten. Dat de zachtaardige mensen nog steeds hun hart van goud hebben. En dat de mensen die vroeger venijn in de staart hadden, jammerlijk genoeg nog altijd dat donkere kantje in hun kleurenpallet hebben.

Ook hun interesses, bleken niet echt veranderd in de loop der jaren. De ene was geobsedeerd door de bouwwereld en is dat 30 jaar later nog altijd. De andere was fanatiek alternatief en is nu nog steeds apetrots op zijn anders zijn. Hij is nog altijd volop bezig met de andere mensen te bekeren. En de flamboyante levensgenieter van toen is nu een succesvolle wijnhandelaar geworden.

Voor mij is dit het zoveelste bewijs dat de opleiding die je volgt, iets betekent, maar lang niet alles bepaalt. Externe factoren zoals het al dan niet behalen van het juiste diploma, moeten vaak het onderspit delven ten opzichte van de uiterlijke of innerlijke kenmerken van een persoon.

Zo ben ik er rotsvast van overtuigd dat een juiste smoel hebben meer waarde heeft dan het al of niet met onderscheiding afstuderen. De vrouw met de juiste aimabele look zal niet zelden bovenaan de pikorde staan. En een middelmatige man die vol zelfvertrouwen in zijn pak zit, zal meer bagage kunnen pretenderen dan de sjofele baardige intellectueel.

Ook het innerlijk is doorslaggevender dan het juiste diploma. Mensen met een ongetemperde innerlijke gedrevenheid, zullen met meer dan tien armlengtes voorsprong de finish halen in vergelijking met personen met een timide en gesloten filosofie. De hoeveelheid drive die mensen in zich hebben, bepaalt of ze achter het stuur zitten of niet.

Aangezien de aard van het beestje niet sterk verandert, vrees ik dat het al van in je studententijd in de sterren geschreven staat welk professioneel leven je later gaat hebben. Je kan je visitekaartje iets meer kleur geven maar de opgeslagen informatie op de datachip ligt al op jonge leeftijd vast. En het is vooral die chip die gelezen wordt door de werkgevers.

Jammer, maar de wet van de jungle is de wet van de werkvloer.

zakenlunch
© Shutterstock

Nu we bij de dagen van eten en drinken beland zijn, heb ik de reflex om niet meer te eten. Een soort kerstvasten of eindejaarsramadan. De reden van mijn eetstaking is zeker niet gebaseerd op een orthodox toepassen van een religieus 'maag-celibaat'. Nee, het is gewoon omdat ik de laatste maanden een opeenstapeling van zakendiners had.

Beroepshalve op restaurant gaan, heeft een gouden aureool voor mensen die het niet kunnen of mogen doen. Maar meestal is het een doornenkrans voor de mensen die het moeten doen.

Een zakendiner begint meestal met de selectie van de mensen die je gaat uitnodigen. Ik ken een consultingbureau waar de baas als een bullebak tekeergaat als ik met een van zijn collega's wil gaan lunchen. Nodig ik hem zelf uit, dan zegt hij toe, maar als ik dan de tafel geboekt heb, annuleert hij bijna elke keer. Waarom zou ik hem nog mee uitnemen als hij zijn kat stuurt? Of -in het beste geval- een van zijn lievelingen binnen het bedrijf waar ik mijn soep niet graag mee deel. Opgepast dus: invitaties versturen is een halszaak. Vooral de ‘niet-invitaties’ kunnen veel schade aanrichten.

De volgende stap is: welk soort keuken, en welke categorie sterrenzaak kies ik? Sommige aankopers die ik ken, koketteren met de Michelinsterren die ze neergehaald hebben op de kosten van diegene die hen uitnodigde. Een West-Vlaamse bejaarde aankoper stelde me ooit voor om na een geslaagde meeting op vrijdag te gaan eten bij een van zijn favorieten: ‘Het Konvent’. Ook al klonk de naam van het restaurant heel christelijk, de rekening was duivels: 780 euro voor 4 personen op ons conto! Als je met dergelijke profiteurs gaat eten, besteed je best aandacht aan de prijs van de fles wijn die je bestelt. Hoe duurder, hoe meer je hun ijdelheid streelt, ook al is die fles van 150 euro goed voor de pompsteen.

Bepaalde culturen zoals de Japanse, Iraanse, Turkse of Indische beschouwen zakenlunches als een promotie voor hun land. De zakenmensen zijn zo trots op hun manier van tafelen, dat ze dit willen delen met hun gasten. Niet zelden zijn deze eetmomenten leerrijke en warme ervaringen omdat ze nationale kennis willen delen. Ze staan erop dat je alles proeft, stouwen de tafel vol met alle mogelijke lekkernijen en laten alcohol aanrukken die alle gereserveerdheid doet verdampen. Een zakendiner is een graadmeter van de gastvrijheid van een volk.

In positieve zin, maar ook in negatieve. Zo zijn er landen waar er nauwelijks wordt getafeld. Vorige week nog maakte ik een meeting mee in Frankfurt die gepland was om 12 uur. We dachten dat het een lunchmeeting was, maar dat was buiten de Duitse waard gerekend. De bespreking in de hotellounge duurde van 12 tot 15 uur en we kregen welgeteld 2 glazen water geserveerd. Scandinavië heeft gelijkaardige tafelmanieren. Hun koelheid straalt uit rond de tafel. Gek genoeg zijn dit wel vaak de zakenpartners die sloten bier van vat kunnen veranderen.

Zakelijk lunchen heeft iets intiems. Voor zakenpartners die zich niet willen bloot geven, is het een te intiem moment. Voor de anderen biedt het kansen. Het is fijn om te zien hoe mensen plots openbloeien bij een stukje wilde fazant, terwijl ze rond de vergadertafel een koele gesloten mossel waren.

Intiem zijn kan wonderen verrichten in deze wereld!

kapper
© Shutterstock

Ik ben een man die om de twee maanden zijn haar laat knippen in een Marokkaans-Brussels etablissement. Gisteren was het weer zover.

Zo’n kappersbezoek is iedere keer een halfuur-durende citytrip in Noord-Afrika. Vroeger had ik culturele drempelvrees om mij te laten pluimen door een Marokkaanse kapper, maar die heb ik ongeveer 10 jaar geleden overwonnen. En ik heb er nog geen kapbeurt spijt van gehad. Over het resultaat van mijn coupe zijn de meningen echter versneden. :-)

In een Marokkaanse kapperszaak hangt totaal geen verwijfde sfeer zoals in veel Vlaamse zaken. Je hebt een snor en baard in de keel nodig om je mannetje te kunnen staan. Als je binnenkomt, liggen de kappers -meestal zijn ze met twee- als echte hangjongeren op hun zetels te wachten. Ondanks hun macho-houding boezemen ze geen angst in. Ze heten je met de grootste vriendelijkheid welkom, springen vol arbeidsgeestdrift recht en tonen je de weg naar de kappersstoel.

Het is er nooit superproper en afgelikt, maar ook niet echt vies. Ik hou het op ‘exotisch gekuist’. Het interieur is zelden compleet. Altijd zie je iets dat afgekraakt of gebroken is, weg is of nog moet geïnstalleerd worden als god het belieft. Maar het geheel straalt wel iets uit.

De kapperszaak van gisteren had vier gigantische zilveren handbewerkte spiegels. Dat creëerde een aquariumgevoel. Alles wat in het salon gebeurde was zichtbaar door de reflectie van de spiegels en het gigantische venster aan de straatkant. In het aquarium zwommen geen vissen, maar er waren wel drie helgele kanaries. Ze hadden elk een kooi, maar de deurtjes stonden open. Ze mochten naar eigen believen rondvliegen en hun poepjes laten vallen waar ze er het minst last van hadden. Ook in de lavabo’s waar foto’s hingen van stoere Arabische mannelijke mannequins met witte keutels op hun hoofd.

Ook al geef je advies en kilometerslange richtlijnen hoe je je kapsel wilt: het resultaat is altijd weer anders. Ik vertelde de kapper dat de vorige knipsessie een groot succes was bij mijn vrouw. Ik gaf duidelijke snijlijnen die ik met handen en voeten omschreef. De enige repliek, die ik kreeg met een ondersteunende glimlach van hier tot in Casablanca, was: “Pas de problème, mon frère, c’est comme ma coiffure!” Dus ja, ik liet hem maar doen...

Met volle concentratie vloog hij met de schaar door mijn bruine haren. Dat was iets speciaals voor hem, want in 99% van de gevallen zijn het zwarten haren die het onderspit moeten accepteren. Ik merkte als snel dat hij meer was dan een ‘knipper’. Hij was niet alleen manueel handig, maar ook geestelijk polyvalent. Tijdens de 30 minuten dat ik op de stoel zat, kwamen er meer dan 10 mannen binnen- en buitengevlogen. Echt een duivenkot. Mijn kapper Hassam was de entertainer, psycholoog en adviseur van al zijn broeders. Het kwam er op neer dat hij meer babbelde dan knipte.

Meestal in een mengeltaaltje Arabisch-Brussels Frans ondersteund door veel gekus en handgeklap. Ik was een buitenstaander, maar toch vroeg Hassam me met een glimlach: “Et ça va?” en legde als blijk van medeleven een hand op mijn knie. Af en toe riepen giechelende Marokkaanse meisjes iets door de deuropening. De mannen werden hierdoor zo opgehitst dat alle activiteit tijdelijk stilviel.

Nadat Hassam voor de laatste keer met de kam door mijn geknipte haar ging, wou hij er nog per se gel in wrijven. Alle Marokkaanse kappers doen dat. Voor hen is gel een must om op straat te mogen verschijnen. Toen ik hem een 10-voudig compliment gaf en zei dat ‘mon grand frère’ een echte artiest is, was hij zo trots. Zijn gelukzalige glimlach toen ik hem 10 euro gaf en wat drinkgeld, bleef me nog een hele tijd bij.

Ik zou hetzelfde relaas willen schrijven over mijn Aziatische werkplaats. Ook daar zou een warme, losse, mogelijks minder efficiënte maar frivole arbeidsethiek tot fantastische resultaten kunnen leiden. Maar de sfeer is er net het tegenovergestelde. Bij ons heb je opgezette kanaries die in verzegelde kooitjes zitten, want met ‘netheid in je hand kom je door het Japanse land’!

duiventil
© Shutterstock

Wat doe je als medewerker als je bazen komen en gaan zoals in een duivenkot? Volgende week krijgen we op onze afdeling de zesde Japanse baas in 12 jaar. Ook deze keer rechtstreeks geleverd uit het Japans hoofdkantoor en opnieuw omschreven als een godenkind waarvoor we heel dankbaar moeten zijn dat we hem boven ons mogen ontvangen.

De nieuwe baas weet niets af van onze jobs en heeft ooit op school iets over Europa geleerd, maar België is jammer genoeg een zwart gat. Met Europese mensen heeft hij nog nooit samengewerkt laat staan dat hij ze geleid heeft of gemotiveerd. Maar toch, Mr Ueno is onze Messias!

Dit is typisch Japans. Japanse bazen zijn vaak ‘voorlopige elementen’ in een bedrijfsstructuur. Net als politiekers. Die zijn ook uit- en inwisselbaar zoals je van onderbroek kan veranderen. Welke Japanner carrière maakt, wordt zoals in een politieke partij beslist door een beperkt groepje van mensen. Of door de partijvoorzitter die de leden van zijn clan mee naar boven trekt. Wie waar komt aan de top, wordt bepaald door de vriendenreflex: jij krabt mijn rug dus ik die van jou. Weinig democratisch en transparant.

Hoe dan ook: het echte lijf in het lichaam van een onderneming, is het middenkader. Het zorgt samen met de andere medewerkers voor de dagelijkse continuïteit.

Als middenkader moet je leren leven met die nieuwe baas boven je die zijn stempel en voetsporen wil zetten in zijn nieuwe omgeving. Meestal moet alles totaal anders zijn dan bij zijn voorganger, hoe sneller hoe liever. De nieuwkomer verschuift medewerkers van positie en probeert zo een tijdelijke clan te vormen waarmee hij zijn naamkaartje zo mooi mogelijk wil inkleuren. Met dit kaartje probeert hij dan zo snel mogelijk een stapje hoger te zetten in de Japanse pikorde. De zaken die hij realiseert zijn doorgaans strovuur. Ze branden snel en hevig in het begin, maar doven snel uit en laten alleen wat verloren as over.

Mijn dilemma: hoe reageer ik als niet-Japanner iedere keer weer op die nieuwe kop op het bedrijfslichaam? Ik heb het in ieder geval opgegeven om goede vriendjes te worden met die wisselende bazen. Ik start vanaf het begin vanuit mijn eigen sterktes en zwaktes, mijn eigen territorium en vooral mijn eigen stijl. Tijdens de eerste maanden gebruik ik een aantal hulpmiddelen en drempels om mezelf en mijn medewerkers te beschermen. Om nee te durven zeggen en om mijn grenzen niet te overschrijden. Af en toe schud ik eens aan de kersenboom om te zien hoeveel fruit ik kan oogsten in mijn mandje. Ik kijk hoe zwaar of hoe licht de nieuwe baas weegt. Dat wordt me niet altijd in dank afgenomen maar in ieder geval schept het duidelijkheid voor mij en hopelijk ook voor Mr Ueno.

Andere collega's acteren als windhanen of lobbyisten. Nog andere proberen de slimste van de klas te zijn, zijn supervriendelijk of negeren de nieuwe baas volledig.

Wat de beste strategie is? Ik weet het niet. Dat hangt vooral af van je eigen karakter. Ik probeer als ‘duivenmelker in mijn kantoor-til’ vooral zorg te dragen voor de goed kwekende duiven en staar me niet blind op die ene prijsduif. Die zijn toch steeds gaan vliegen en je weet nooit waar ze uithangen, laat staan wanneer ze terugkomen.