U bent hier

Tekstschrijver Leen

ballonnen‘Je bent weer zo enthousiast!’ merkt een vriendin lachend op.
Ik heb zonet -ongevraagd- minstens tien voordelen van mijn zelfstandig statuut opgesomd, en uitvoerig beschreven wat deze met me doen. Ik kan het gewoon niet helpen. Zelfs na een jaar besef ik nog elke dag hoeveel geluk ik heb. Dat ik dankbaar moet zijn dat mijn Schrijfbureau Teksttype levensvatbaar bleek. Dat ik mijn dagen kan vullen met wat ik graag doe.

Sinds ik begon als freelance copywriter heb ik al een handvol mensen -toevallig (?) allemaal vrouwen- geïnspireerd om ook als zelfstandige te starten. Vrouwen die ik goed ken, maar ook enkelen die ik niet of nauwelijks ken. Mijn enthousiasme werkt blijkbaar aanstekelijk. Twee van hen hebben ondertussen de nodige stappen gezet, anderen twijfelen nog of zijn bezig met de eerste voorbereidingen.

Ik krijg vaak de vraag wat je moet doen om als zelfstandige te beginnen -en of dat wel een goed idee is. Wel, dat is het niet. Het is een vreselijk idee! Je geeft je (financiële) zekerheden op en moet hard werken voor vaak weinig geld. Maar dat zijn ook meteen de enige twee nadelen. Voor de rest is zelfstandige zijn de hemel. En met een beetje geluk en ploeteren loopt het met dat financiële aspect ook wel los.

Als je dus, zoals zovelen, twijfelt om zelfstandige te worden, zou ik zeggen: doen! Informeer je, bereid je voor, praat met zoveel mogelijk mensen over je plannen en ideeën en laat ze rijpen. Wees voorzichtig en calculeer eventuele risico’s in. Maar als je echt zeker bent, als het blijft kriebelen en je denkt dat je over de juiste instelling beschikt om je eigen baas te worden… Waarom zou je je dan in godsnaam laten tegenhouden? Het is jouw werk, jouw tijd, jouw leven. Ga ervoor. Je leeft maar een keer. There will be no next time.

Dat geldt helaas ook voor mijn blogs, want mijn maandje als gastblogger op deze site zit erop. Hopelijk heb ik jullie niet al te hard verveeld. Ik wens je enorm veel succes met het bereiken van je dromen. Je kan het!
 

Gepost op 31 oktober 2014

tas koffieIk leef intens. Wanneer ik op een optreden sta, sluit ik mijn ogen om de muziek dieper te laten doordringen. Ik zing onder de douche en dans door de woonkamer. Ik wandel in de regen en fiets in de zon. Chocolade laat ik langzaam op mijn tong smelten. Die eerste slok koffie ’s ochtends heb ik verheven tot een waar ritueel. Ik kan tranen in mijn ogen krijgen van een bepaald nummer, boek of film.

Die intensiteit ervaar ik ook op werkvlak. Meer zelfs: die intensiteit moet ik ervaren. Ik doe mijn werk graag grondig, bewust en doordacht. Ik ga er helemaal in op. En dat werkt. Het levert meer resultaat op, en het maakt mij beter, als persoon. Sinds ik mijn eigen zaak heb, ben ik veranderd. Ik ben gegroeid als persoon, ik voel me stukken beter in mijn vel, en voor het eerst in mijn leven ben ik oprecht gelukkig met wie ik ben en wat ik doe.

Vroeger had ik vaak het gevoel dat ik, op mijn werk maar soms ook daarbuiten, een rolletje moest spelen. Niet te veel opvallen was vaak de boodschap. Nu kan ik veel meer mezelf zijn. Meer nog: ik zet mijn eigenheid volop in de verf. Het is de motor van Schrijfbureau Teksttype, dat wat me onderscheidt van de anderen. Ik noem mezelf niet voor niets “professioneel witte raaf”. Mijn voorkeur gaat uit naar bijzondere opdrachten, die enkel ik op die bepaalde, specifieke manier kan vervullen. De intense eigenzinnigheid waarmee ik alles doe is mijn grootste kracht geworden. En daar geniet ik van. Intens.
 

Gepost op 29 oktober 2014

“Deze brief is langer geworden, want ik had geen tijd om hem korter te maken,” schreef de Franse wiskundige Blaise Pascal ooit. Dat lijkt een vreemde uitspraak, maar ik kan me er als tekstschrijver perfect in vinden. Korte teksten schrijven is vaak moeilijker dan lange teksten schrijven. Omdat elke zin, elk woord, ja zelfs elke komma, de betekenis van de hele tekst kan veranderen. In korte teksten let je -als lezer, maar ook als schrijver- meer op elk detail. Twee spelfouten in een boek van 150 bladzijden zullen je wellicht niet storen. Een fout in een krantenkop daarentegen…

Wanneer ik webteksten schrijf, word ik vaak geconfronteerd met de vraag om me te beperken tot pakweg 200 woorden. Ook bij stukken voor de krant is het de kunst om dat interview van een uur te herleiden tot een tekst die op een halve pagina past. De laatste maanden schrijf ik, naast mijn ‘commerciële’ opdrachten, ook veel kortverhalen. Echt heel korte verhalen, van gemiddeld een halve pagina. Niet uit luiheid, wel uit tijdsgebrek. Het is nochtans een hele uitdaging. Ik moet een bepaalde sfeer oproepen. Een personage neerzetten dat geloofwaardig is en zijn eigen beweegredenen, karakter, en manier van praten heeft. Ik moet een hele wereld oproepen. Ik moet mijn lezers prikkelen en een reden geven om verder te lezen. En dat allemaal in enkele alinea’s. Gelukkig schrijf ik ook al jaren poëzie, dus ik ben wel gewend om veel te zeggen met weinig woorden.

Het is dan de kunst om te schrappen en toch een leuke tekst over te houden. Ik heb geen probleem met het 'kill your darlings'-gegeven. Integendeel: eens ik begin te schrappen, is er soms geen houden meer aan. Het gevaar loert dan echter om de hoek dat wat overblijft, gewoon niet meer leuk is om te lezen. Omdat de tekst te uitgebeend is. Er mag gerust wat ‘vlees’ aanzitten. Wat zogezegde onnodige details. Een extra voorbeeld. Een uitspraak die niet helemaal ter zake doet. Dat zijn de kruiden die een tekst uniek maken. Maar, en dit zullen de Jeroen Meusen en Sofie Dumonts van de wereld het met me eens zijn: overdrijf niet met je kruiden! Een beetje peper en zout zijn nodig, maar je hoeft er geen hele pot Indische curry doorheen te mengen. En dat, dat is het moeilijkste aan het schrijven van zowel korte als lange teksten: het vinden van de juiste dosering.
 

Gepost op 27 oktober 2014

visbokaalDe afgelopen maanden heb ik geleerd dat het begrip ‘collega’ rekbaar is. Zo wissel ik vaak info en ervaringen uit met een andere freelance copywriter. Dat doen we al vanaf het ogenblik dat we beiden nog bezig waren met de voorbereidingen van de opstart van onze eigen zaak. Aanvankelijk hadden we het vooral over boekhouders, sociale bijdragen en ondernemingsvormen. Later werd dat het binnenhalen van die eerste opdrachten, het opstellen van facturen en het aanpakken van allerlei onverwachte, kleine probleempjes die de kop opsteken wanneer je pas als freelancer bezig bent.

We mailen, bellen en gaan samen op restaurant om bij een lekkere maaltijd ervaringen uit te wisselen. We sturen elkaar suggesties door, gaan samen naar infosessies en peppen elkaar mentaal op. Eigenlijk alles wat je met een goede collega zou doen. De samenwerking tussen Zinvis (het alter ego van mijn collega) en mezelf verloopt heel aangenaam. We zijn gewoon twee vrouwen die grotendeels met dezelfde dingen bezig zijn. Toch beschouwen we elkaar niet als concurrentie: we willen beiden dat de ander (ook) slaagt.

Het valt me op dat dit het soort collegiaal gedrag is dat ik vroeger zo vaak heb moeten missen. De doorsnee mens is vooral met zijn of haar eigen carrière bezig. Pas op, ik ben niet tegen wat gezond individualisme. Als creatief, gepassioneerd freelancer maak ik me daar maar al te vaak schuldig aan. Maar ik ben van mening dat dit nooit ten koste van anderen mag gaan. We worden grootgebracht met het survival of the fittest-ideaal. Er zal altijd gevraagd worden of je een teamplayer bent, maar uiteindelijk, als puntje bij paaltje komt, word je beoordeeld op wat jij gedaan hebt. Enkel door jezelf in de schijnwerpers te plaatsen, maak je kans op promotie en respect.

Gek genoeg is het pas sinds ik mijn eenmanszaak begon, dat ik profiteer van het hebben van ‘verre collega’s’ zoals eerder de genoemde, bevriende copywriter. Soms bestaan dit soort samenwerkingen ook bij ‘echte collega’s’. Als jij het geluk hebt over zo’n collega te beschikken, zou ik zeggen: koester hem of haar. Of nog beter: wees zelf zo’n collega. Misschien volgen anderen dan je voorbeeld. Of ben ik nu te naïef?
 

Gepost op 24 oktober 2014

natuurlijke weegschaal. Foto: Shutterstock“Ja, ik heb je oproep gehoord. Maar de laatste kilometers van de Tour waren nou net iets belangrijker dan jouw telefoontje.” Aan het woord is de Nederlandse manager van een Amerikaanse rockartiest. Ik probeer een telefonisch interview te regelen voor de krant. En dat blijkt niet eenvoudig.

Ik voel me beledigd. Niet dat ik mezelf zo belangrijk vind, maar kan hij niet op z’n minst de moeite doen om te doen alsof hij met iets belangrijk bezig was? Een meeting met de paus, een etentje met de koning, desnoods een familieaangelegenheid waar hij echt niet onderuit kon. Alles behalve het bekijken van de laatste rit van de Ronde van Frankrijk met een blik bier op schoot.

Mensen vragen me weleens wat je moet doen, kunnen of weten om een communicatiefunctie uit te oefenen. Wel, bovengenoemde wielerfan/manager bewijst dat het eigenlijk allemaal niet uitmaakt wat je weet, kan of gestudeerd hebt, als je niet over een beetje menselijk inzicht beschikt. Empathie, inlevingsvermogen, elementaire beleefdheid: als dit slechts theoretische begrippen voor je zijn, zal je communicatie -of het nu gaat om collega’s, klanten of de dronken kerel naast je aan de toog- niet vlot verlopen.

Receptionisten die je zuur aankijken wanneer je hen een goedemorgen wenst, winkeluitbaters die je met duidelijke tegenzin helpen, collega’s die nooit doen wat ze beloven: we kennen ze allemaal. Het is zo ver gekomen dat ik mensen niet meer geloof als ze zeggen dat ze me die foto vandaag nog mailen, of dat ze me binnen een uurtje zeker terugbellen. En in 90 procent van de gevallen krijg ik helaas gelijk.

Dat mensen het te druk hebben, is geen excuus. Iedereen heeft het druk, en wie het niet druk heeft, doet wel alsof. Als je niet voortdurend bezig bent, ben je immers niet belangrijk. Geen tijd hebben is een modeverschijnsel. Maar zelfs als je agenda overvol zit, kan je gerust nog even een mailtje of telefoontje beantwoorden. Het is vaak een kwestie van prioriteiten stellen. Ik vind het persoonlijk een stuk efficiënter om mensen meteen te helpen, dan hen vijf keer af te wimpelen. Dat spaart tijd en energie. Anderen hebben er geen boodschap aan hoe druk ik het heb. Ze willen gewoon geholpen worden.

Gelukkig kan het ook anders. Mensen blijven me verbazen, ook in positieve zin. Ik verberg dan mijn verbazing en laat mijn waardering voor hun stiptheid blijken. En dat werkt. Mensen willen zich gewaardeerd voelen. Belangrijker dan een sportwedstrijd. Om maar iets te noemen.
 

Gepost op 22 oktober 2014

zeepbelSchrijven is 10 procent inspiratie en 90 procent transpiratie. Dat is een cliché van jewelste. Net omdat het waar is. Natuurlijk is het leuk om zomaar door een helder inzicht getroffen te worden, en uiteraard lijken sommige teksten zichzelf te schrijven. Dat zijn de leuke uitzonderingen -en zelfs die teksten moeten bijgeschaafd worden.

Wat begint met inspiratie, eindigt onherroepelijk in eindeloos herschrijven en kommaneuken. Of het nu gaat om een uitnodiging voor een babyborrel, een liefdesbrief, een wervende reclametekst of die grote roman waar je al twintig jaar van droomt: het is vaak gewoon een kwestie van werken. Aan je bureau blijven zitten tot er staat wat er moet staan.

Iedereen die op de een of andere manier met schrijven bezig is, herkent het: soms zit je naar je scherm te staren en weet je even niet hoe het verder moet. Je begint vijf keer aan een net iets andere versie van dezelfde zin. Dan begint het uiteindelijk toch te vlotten, tot je halverwege je tekst tot de conclusie komt dat het niet helemaal is wat je in gedachten had. Je denkt dat het nooit wat zal worden, die tekst. Dat je beter tandarts of boomchirurg was geworden.

Wie de nodige schrijfervaring heeft, weet dat dat moment van panische angst steevast gevolgd wordt door een aha-erlebnis van jewelste: dat ene moment waarop het gevoel van wanhoop plots plaats ruimt voor het besef dat het wel goed komt met die tekst. En terwijl je -met een vette grijns op je gezicht- dat verhaal of artikel afwerkt, vraag je je af hoe je in godsnaam ooit aan jezelf hebt kunnen twijfelen. Je doet dit immers al jaren, en hebt nog nooit een tekst niet afgewerkt.

“Een schrijver is iemand voor wie schrijven moeilijker is dan voor anderen,” zei Thomas Mann ooit. Ook dat is helaas maar al te waar. Je kent 1001 schrijfregeltjes, en wil geen fout laten staan. Je leest je teksten drie keer na, soms luidop. En uiteindelijk ben je nooit honderd procent tevreden over het resultaat. Je denkt altijd dat het nog beter kan. Troost je, zelfs de groten der aarde kampen hiermee. Zo schreef Oscar Wilde ooit: “De hele ochtend heb ik gewerkt aan de proefdruk van een van mijn gedichten en er een komma uitgehaald. ’s Middags heb ik hem weer teruggezet.”
 

Gepost op 20 oktober 2014

vlindersAls freelance tekstschrijver moet je een beetje van alles weten en bereid zijn om je in de meest bizarre onderwerpen te verdiepen. Of het nu gaat over de nieuwste najaarsmode, opritten in natuursteen of de geschiedenis van de Limburgse Bokkenrijders. Zo schreef ik onlangs de teksten voor locdevlinder.be, de website van een Limburgs natuurproject dat mensen wil overtuigen om vlindercafés in te richten. Dat zijn (stukken van) tuinen waar vlinders nectar kunnen bijtanken voor ze hun tocht door de stad verder zetten.

Ik pluisde Nederlandse websites over het inrichten van vlindertuinen uit, kocht een boek van 500 en nog wat bladzijden over vlinders en verdiepte me in het onderwerp. Resultaat: er kan geen beestje meer voorbij komen fladderen of mijn vriend vraagt: ‘welke vlinder is dat?’, om vervolgens heel teleurgesteld te reageren als ik het antwoord bijster moet blijven.

Hij is niet de enige. Toen ik een tijd geleden een reportage had gemaakt over wijn, stelden vrienden me plots allerlei vragen over deze druivendrank. Een specialist interviewen is blijkbaar hetzelfde als een specialist zijn. Alsof je al hun kennis en wijsheid op een uurtje tijd in je hebt opgenomen, zoals een superheld uit een tekenfilm die de krachten van zijn vijanden overneemt. Was het maar waar!

Ik ga niet beweren dat ik niet heb bijgeleerd sinds ik copywriter ben. Ik leer elke dag bij, en verdiep me graag in de meest uiteenlopende onderwerpen. Maar ik ben geen specialist in elk onderwerp waarover ik ooit iets heb geschreven. Dat hoeft ook niet. Het is leuk om van alles een beetje te weten, maar het is even leuk om nog elke dag verwonderd te zijn. Bijleren impliceert automatisch dat er heel wat is dat je niet weet. En dat is niet erg. Einstein zei ooit dat het geen zin heeft om dingen vanbuiten te leren die je in boeken kan opzoeken. Oef!
 

Gepost op 17 oktober 2014

birthdaycakeIk herinner me nog de eerste keer dat iemand me mevrouw noemde. Ik was zestien lentes jong en deed vakantiewerk in een dierenspeciaalzaak aan de Boomse Steenweg. De ‘dader’ was een jongetje van een jaar of acht -en het is een wonder dat hij ook maar één dag ouder is geworden. Misschien omdat ik veeleer verbijsterd dan kwaad was. Of omdat het mijn eerste werkdag was op mijn eerste baantje. Want hoe gering mijn werkervaring op dat ogenblik ook, ik had een vaag vermoeden dat het wurgen van kleine jongetjes niet meteen tot het takenpakket van de ideale werknemer behoorde.

Ik was klein voor mijn leeftijd -dat ben ik nog steeds- en gezegend met een puisterige babyface waardoor mensen me steevast enkele jaren jonger schatten. En dan, geheel onverwacht, was ik plots een ‘mevrouw’.

“Mevrouw, waar staat het schildpaddenvoer?” Het kind leek zich van geen kwaad bewust. Ik stuurde hem de verkeerde kant op. Niet met opzet, maar omdat het mijn eerste werkdag was en de uitbater zich niet de moeite had getroost om me een rondleiding te geven.

Ondertussen kan ik het aantal keren dat iemand me ‘mevrouwde’ niet meer op de vingers van een heleboel handen tellen. Sinds juli ben ik dertig. Dér-tig. Tram 3, zoals ze in Antwerpen zeggen. Als je dan nog geen mevrouw bent, word je het nooit. En toch. Toch voel ik me nog altijd even verontwaardigd als die dag tussen het konijnenvoer en de kattenbakvulling wanneer iemand me mevrouw noemt. Wanneer je zestien bent, lijkt iemand van dertig stokoud. Zelf geloof ik graag dat ik nog even jong ben, maar dan met wat meer ervaring. Standvastiger en evenwichtiger, maar met voldoende gezonde chaos en onstuimige levenslust om nog lang niet als helemaal volwassen -laat staan: oud- te worden beschouwd.

Gelukkig ken ik heel wat mensen in mijn omgeving van dertig -ja, zelfs van veertig en vijftig- die nog jong van geest zijn. En ik merk ook dat ik, naarmate ik langzaam en toch bliksemsnel ouder word, meer en meer mijn eigen pad bewandel. En dat terwijl ik vaak nog steeds die levensvreugde en energie weet te vinden die voor twintigers onuitputbaar lijken. Het doet de dag nadien misschien wat meer pijn, maar die pijn doet me tenminste beseffen dat ik tot de gelukkigste categorie van mensen behoor: de levenden. Er is namelijk maar een ding erger dan oud worden: niet oud worden.

Er zijn trouwens nog steeds handelaars die me studentenkorting aanbieden, en loketbedienden die me erop wijzen dat ik “beter een Go Pass dan een Railpass neem als ik jonger ben dan 26.” Op zo’n ogenblikken lijken tram 3 en de jongen met het schildpaddenvoer plots weer heel ver weg.
 

Gepost op 15 oktober 2014

meisje met bloemenWaarom ik journalist wilde worden, vraagt een groepje verlegen tieners me terwijl ik aan mijn bureau zit op de redactie van Het Belang van Limburg. Het is de zoveelste groep schoolkinderen die een rondleiding krijgt op ‘een echte redactie’. De vragenlijst is altijd dezelfde. Ik antwoord dat ik altijd ‘iets met schrijven’ heb willen doen, al sinds ik een jaar of zeven was. Het was die periode in mijn kindertijd waarin de jongens steevast brandweerman of ridder wilden worden, en de meisjes -hoe kan het ook anders?- prinses.

Ik heb nooit prinses willen worden. Ik vond prinsessen maar saai. Zo’n beetje zitten wachten tot een ridder je komt redden van een draak was niet aan mij besteed. Ik wilde liever zelf die draak verslaan! Spelen met poppen heb ik nooit gedaan. Ik hield niet van roze. De laatste keer dat ik een jurk droeg, was ik vijf en aan het huilen omdat ik geen jurk aan wilde. Kortom: er zijn honderden redenen waarom ik niet zou deugen als prinses.

Maar schrijven, dat heeft me altijd geboeid. Als kind schreef ik al verhaaltjes en poëzie. Dat doe ik nu nog, al hoop ik natuurlijk dat ze wel van een hoger niveau zijn dan wat ik toen produceerde. Een en ander kan je op leenraats.be nalezen. Vorig jaar bracht ik een eerste boek -een gedichtenbundel- uit in eigen beheer. Momenteel werk ik aan een project waarbij ik elke week een flitsverhaal (een verhaal van minder dan één bladzijde) op mijn Facebookpagina ‘De Luie Lezer’ post. Ook dat moet ooit in een boek resulteren. Zoals elke schrijver loop ik voortdurend rond met een hoofd vol plannen en ideeën, waarvan ik sommige zelfs daadwerkelijk uitvoer.

En daarnaast zijn er natuurlijk de opdrachten als tekstschrijver, journalist, copywriter en vertaler. Allemaal ‘iets met schrijven’ dus. Ik werd vroeger weleens vreemd bekeken door al die prinsesjes-in-wording toen ik zei dat ik schrijver wilde worden. Maar ik heb mijn grote kinderdroom weten te verwezenlijken. Dat kan van hen niet gezegd worden. De arbeidsmarkt is niet afgestemd op zoveel prinsessen, ridders en brandweermannen. Hopelijk hebben ze een andere job gevonden die hen op het lijf is geschreven. Ieder z’n vak.
 

Gepost op 13 oktober 2014

meisje op touw“Gelukkig moet ik morgen niet werken,” zegt een kameraad. Hij is een vrachtwagenchauffeur uit Haacht, met een voorliefde voor hardcore en metal. We staan na te praten na een intens optreden in de voormalige Koninckbrouwerij in Antwerpen.

“Ik moet niet werken, maar doe het toch,” glunder ik. “Maar ik begin waarschijnlijk wel een uurtje later morgen. Dat mag van mijn bazin.” Vrolijk neem ik nog een grote slok van mijn bolleke. Het is niet mijn eerste glas van de avond. We mogen namelijk zelf ons bier tappen. Gratis. De kans dat ik morgen om zeven uur fris en monter aan mijn bureau zit, wordt met elke slok kleiner. Maar dat geeft niet: mijn bazin gunt het me wel, voor een keertje.

We zijn dikke maatjes, mijn bazin en ik. We zitten volledig op dezelfde golflengte. Ze weet dat ik hard werk, maar ook dat ik af en toe nood heb aan stoom aflaten. Bijvoorbeeld op een metal-optreden, tijdens een verlengd weekendje weg of tijdens een lekker etentje met mijn vriend. Dat gunt ze me. En dat is niet zo verwonderlijk, aangezien ik zelf mijn eigen bazin ben.

Dat kan ik eigenlijk niet genoeg benadrukken. Ik. Bén. Mijn. Bazin! Ik heb nog nooit zoveel uren gedraaid als nu, als zelfstandige. ’s Avonds en in het weekend werk ik meestal gewoon door, en toch… Toch voelt het heel anders. Gewoon, omdat ik dit voor mezelf doe. Natuurlijk heeft het ook nadelen, dat zelfstandige zijn. Je moet zorgen dat je genoeg opdrachten hebt én dat die opdrachten je voldoende centjes opleveren. Je moet goed om kunnen met (financiële) onzekerheid.

Onlangs vroegen enkele ex-collega’s me of ik nu elke ochtend tot tien uur in mijn bed lig. Wel, dat zou ik kunnen doen. Maar dan had ik dit eerste jaar wellicht niet eens overleefd. Ik denk dat elke zelfstandige dat zal beamen. Het is soms gaan tot je niet meer kan, en dan nog wat verder gaan. De Ramones, een van mijn favoriete bands -een voorkeur die ik deel met Fons Leroy, gedelegeerd bestuurder van VDAB- zongen het al. “It’s not my place in the 9 to 5 world.”

Vooral de eerste maanden wist ik van geen ophouden. Nu ik al wat langer op dat dunne koord tussen ‘succesvolle freelancer’ en ‘dwangmatig werkende neuroot’ balanceer, geraak ik er meer en meer van overtuigd dat het haalbaar is: goed zijn in wat je doet, daar van leven en toch nog tijd maken voor wat écht belangrijk is. Uiteindelijk werk je om te leven, je leeft niet om te werken. Zelfs niet wanneer dat werk je grote passie is.
 

Gepost op 10 oktober 2014