U bent hier

Werkzoekende Saskia

Toen ik na het middelbaar verder ging studeren, leerde ik mensen kennen. We deelden dezelfde gedachten en idealen en hadden het gevoel dat we tot een nieuwe generatie behoorden. Wij zouden voor werk kiezen waar ons hart lag. We hadden wilde dromen, en durfden ze ook na te jagen.

Tot ik besefte dat mijn ‘nieuwe generatie’ sterk leek op de vorige. Ook ik koos soms jobs waarbij ik eerder mijn hoofd volgde, en niet mijn hart. Soms ging het niet anders. Tegelijk ontdekte ik dat het leven meer was dan werken alleen. Mijn passie vond ik elders, bij mijn partner en mijn gezin.

Toch wil ik mijn droom niet opgeven. Ik blijf zoeken naar die ene job die perfect aansluit bij wat ik kan en wil. Zo’n job waarvan ik kan zeggen: “Wat ik nu doe, dat ben ik”.

Wordt het geen tijd om de generatiekloven te dichten? Is er wel een verschil? Willen we niet allemaal hetzelfde, een job die we graag doen?

Ik weet dat mijn zoektocht tijd vergt, en ik ben geduldig. Niets gaat vanzelf. Zie ik het even niet meer zitten? Dan neem ik een stapje terug. Om even op adem te komen, buiten de maalstroom, en terug te ontdekken waar mijn passie ligt. Die droomjob, die vind ik zeker.

Tijdens mijn laatste job als opvoedster had ik heel wat verantwoordelijkheden. Ik deed mijn uiterste best om de kneepjes van het vak onder de knie te krijgen, en ik was een beetje mijn eigen baas. Dat vertrouwen had ik gewonnen.

In de beginperiode van mijn baanloos bestaan wist ik dat mijn werkervaring een meerwaarde was. Ik popelde om er meer over te vertellen aan geïnteresseerde werkgevers. Het enige probleem was: niemand had interesse. Nu, een jaar later -na een periode van werkloosheid, twijfel en frustratie- stel ik mezelf de vraag: ben ik nog steeds een goede opvoedster? Soms lijkt het alsof ik iemand anders beschrijf wanneer ik mijn kwaliteiten opsom. Ben ik ze verloren omdat ik al een tijdje inactief ben?

Ik zocht naar een antwoord en ontdekte dat enkel anderen me dat kunnen zeggen. Omdat anderen me willens nillens een spiegel vorhouden. Zoals mijn echte spiegel me vertelt of ik een 'goede haardag' heb of niet, zo maken de mensen in mijn omgeving me duidelijk of ik goed werk lever of niet.

Elke dag doe ik dingen waarvan ik weet dat een opvoedster ze ook doet. Als ik mijn talenten in mijn dagelijks leven blijf gebruiken, blijf ik onthouden waar ik goed in ben én ben ik al half ingewerkt voor mijn volgende job.

Deze week las ik mijn vorige blogposts nog eens. Wat bleek? In mijn eerste blog had ik het over een roze bril die ik terugvond, maar in de blogs die volgden zette ik ‘m niet één keer op. Tijd om daar verandering in te brengen!

Ik nam de koppige koe bij de horens en ging naar het interimbureau. Natuurlijk had ik dat nog al gedaan. Maar misschien was ik tot nu toe te beleefd en te voorzichtig? Want ik kreeg steeds dezelfde boodschap: “We laten je iets weten van zodra we een vacature hebben die bij je past.” Meestal hoorde ik dan niets meer.

Maar vandaag, met die roze bril op mijn neus, zou het anders zijn. Heel de ochtend herhaalde ik in mijn hoofd wat ik ging zeggen: “Ik sta te springen om te werken. Ik wil alle jobs doen, zolang het dagwerk is in mijn regio. Ik ben bereid deeltijds of voltijds te werken. Ik wil graag een vast contract maar ben ook geïnteresseerd in tijdelijke opdrachten. Ik ben van alle markten thuis en leergierig dus u mag er op vertrouwen dat ik mij voor honderd procent zal inzetten.” Dan zou ik mijn allerliefste glimlach op mijn gezicht toveren. Tenminste, dat was het plan.

Want toen ik tegenover de mevrouw van het interimkantoor zat, struikelde ik over elke zin. Het leek wel alsof ik de tongbreker ‘de kat krabt de krollen van de trap’ steeds weer luidop moest herhalen. En dat terwijl ik normaal gezien verbaal best goed ben!

Gelukkig wekte mijn gestotter blijkbaar wel sympathie op. De dame van het interimkantoor polste bij haar collega’s van het sociale werkveld, om te kijken of daar geen jobs voor me waren. Misschien was er wel iets dat bij mij paste?

Kijk eens aan, dacht ik. Nee, echt. Kijk, daar in de verte: een lichtpuntje?

Ik ga door. Ik blijf in mezelf geloven. De kat krabt de krollen van de trap en daar valt niets tegen in te brengen.

We leren door vallen en opstaan. Daarbij valt de ene wat meer, en krabbelt de andere wat sneller weer recht. Het is wat het is.

Zowel voor als na mijn studies deed ik verschillende jobs. Zo kreeg ik naamkaartjes opgespeld in de horeca en in winkels, maar ik werkte ook in fabrieken, in de sociale sector, als poetsvrouw. Ik vind dat een meerwaarde: door die verschillende jobs ontdekte ik mezelf en mijn verborgen talenten.

Maar nu zit ik, voorzichtig gezegd, een beetje vast. Voor welke job moet ik gaan, nu werk alsmaar schaarser lijkt? Ik solliciteer voor alle jobs die haalbaar zijn in volgens mijn opleiding en ervaring. En ik vergeet ook niet te solliciteren voor jobs die me doen dromen en verlangen naar de dag dat ik mag beginnen. Jobs waarvan ik zeg: hiervoor ben ik gemaakt! 

Intussen houdt niets me tegen om toneel te spelen. Dan sta ik in gedachten met dromerige ogen voor een verkleedkoffer. Ik hoef maar te graaien en ik ben iemand anders. Piloot, brandweervrouw, dierenverzorgster, kunstenares, bloemist, schrijfster, naaister, poetsvrouw, kokkin… Elk kostuum kan ik aantrekken. Een publiek is niet nodig: ik hoef voorlopig nog niemand anders te overtuigen dan mezelf. Een nieuwe job moet je jezelf graag zien doen. Dat is het begin. Je publiek -een werkgever en collega’s- is wat volgt. Zolang je maar gelooft in jezelf…

 

Mijn omgeving, vrienden en familie: ze lijken een pact gesloten te hebben om allemaal te verjaren in de zomer. Meestal is het dan goed weer, is er eten in overvloed en vloeit de drank. En verjaren, daar horen cadeautjes bij. De centjes, die vloeien dus jammer genoeg ook…

De zomer doet iets met een mens. Het is een tijd om te groeien, een tijd van vernieuwing. In mijn geval was mijn kleerkast dringend aan vernieuwing toe. Of dat aan mijn geweldige waskunsten ligt of aan een verandering in gewicht laat ik liever in het midden... Maar, nieuwe kleren, verjaardagscadeaus, maandelijkse rekeningen en de huur maken een spannend optelsommetje. Het hoeft allemaal niet eens veel te kosten. Als ik elk bedrag afzonderlijk van mijn bankrekening aftrek, verschijnt de mededeling ‘saldo ontoereikend’ sneller dan gedacht.

Feit is: wanneer de zon schijnt en de terrasjes op de straten worden geschoven, geef je meer geld uit. En als werkzoekende is het dan extra moeilijk om rond te komen.

Ik dacht dat ik de oplossing gevonden had: ik maakte van mijn hart een steen en besloot om vaker thuis te blijven. Met pijn in het versteende hart weigerde ik een terrasje met een goede vriendin. Ik haalde de oude hark uit de schuur en begon in de tuin te werken. Vol goede moed, overtuigd dat arbeid de geest sterkt.

Het resultaat? Mijn hoofd was misschien wel frisser op het eind van de dag, maar mijn lijf zuchtte onder de splinters. Daar kwam bovenop dat die koppige dingen zich enkel door een dokter wilden laten verwijderen. Het kostenplaatje schoot de hoogte in. Uiteindelijk bleek het zelfs duurder uit te draaien dan wanneer ik gewoon dat koffietje was gaan drinken!

De eindjes aan elkaar knopen noemen ze dat. Mocht er een vacature bestaan voor professioneel knopenlegger, dan werd ik ongetwijfeld binnen de kortste keren aangenomen. Ik ben er behoorlijk in getraind. Mijn inkomen blijft dalen en ik heb niet meteen een nieuwe baan in het vooruitzicht. Ik voel me als een pingpongballetje heen en weer gekaatst tussen mogelijke oplossingen, maar vind nergens houvast. Ik kan je verzekeren: je krijgt daar een houten kop van.

Hoe ik elke cent ook draai of keer, een cent te weinig is er een te weinig. En het is enorm zenuwslopend als je niet kan voorspellen wanneer daar verbetering in komt. Want op het eind van de dag breng ook ik graag brood op de plank, en liefst niet alleen met choco als enige beleg.

Je bent wat je doet. Daar is onze maatschappij op gebouwd. Of brokkelt ze er door af? Ben je dan niets als je niet kan doen wat je wilt? Het is maar hoe je het bekijkt.

In het beste geval heb je de baan gevonden waarvoor je echt wilt gaan. Je legt er je hart en ziel in, je bent letterlijk wat je doet. Daar is niets mis mee. En ook al is niet iedereen tevreden, het motto van deze tijd is: hou het hoofd boven water, think happy, en de rest komt vanzelf.

Als werkzoekende voel ik me soms wegglijden in een wereld waar het moeilijk is om positief te blijven. Niets zo moeilijk als je leven proberen in te richten zonder job. Dat is niet omdat ik vind dat een baan centraal moet staan. Wel omdat ik weet, hoop en wens dat ik ooit werk te pakken krijg. Pas dan kan ik me richten op hobby’s en andere dingen die los staan van een job.

Met andere woorden: mijn leven staat ‘in wacht’ tot een werkgever –ook maar een mens- besluit om met mij in zee te gaan en ik kan beginnen aan een nieuwe reis. Ik ben afhankelijk van een onbekende om mijn leven opnieuw aan te vatten. Ligt het aan mij als ik dat een vreselijk idee vind?

Maar goed. Laat ons intussen komaf maken met wat lariekoek en apekool. Ten eerste omdat het volgens mij geen echte dingen zijn (larie-wat?), en ten tweede omdat de waarheid gezegd mag worden. Zo zouden werkzoekenden de hele dag niets doen. Onzin, natuurlijk. In werk zoeken steek je meer tijd dan je denkt.

Ik ken nog andere werkzoekenden. Het is niet zo dat we tijd hebben om een eigen clubje op te richten, maar wanneer we praten over wat ons bezighoudt, dan is er een opvallend charmerende eigenschap die steeds terugkomt: we gaan erg bewust om met de dingen die we doen. Het is moeilijk om positief te zijn wanneer je geen werk hebt. Alles lijkt stil te staan. En toch graven en zoeken we elke dag naar wat goed gaat. En gaat het toch niet goed, dan zoeken we hoe het beter kan.

Laat ik besluiten met dit: als we dan toch zijn wat we doen, dan zijn wij, werkzoekenden, erg creatieve volhouders.

Hoewel velen vandaag een frisse duik in een zwembad namen, besloot ik mijn verfrissing te zoeken in het surfen op werksites. Ik had mezelf tot doel gesteld minstens drie goede jobs te vinden. Na enkele uren non-stop zoeken -mijn koffie was al 10 keer koud geworden- had ik nog maar één interessante vacature gevonden en geen brief geschreven. Hoe zeg je dat ook alweer? Juist ja: Zucht.

Je denkt misschien: “Dan ben je te kieskeurig.” Maar soms heb ik gewoon het juiste diploma niet, of heb ik een gebrek aan relevante ervaring, of zijn de werktijden zo onregelmatig dat ik mijn kind fulltime op mijn rug zou moeten binden om te kunnen voorzien in volwaardige opvang. I think not. Dus struikel ik over zo’n opmerking, zeg: “Pardon, sorry voor het storen” en loop dan meestal met gebogen hoofd verder, maar…

Er zijn ook andere mensen. Mensen die mij in vol vertrouwen vragen: “Waarom lieg je niet gewoon? Ik heb dat al zo vaak gedaan.” Ja, waarom niet eigenlijk?

Ben ik beter als ik mezelf meer eigenschappen geef dan ik eigenlijk heb? Hoor ik dan meer bij de massa? Moet ik liegen omdat ik denk dat ik minderwaardig ben op de arbeidsmarkt? Daardoor ga ik me pas echt minderwaardig voelen... Dat is meteen de reden waarom ik ervoor kies om mijn neus niet te laten groeien, zoals Pinocchio. Omdat ik best tevreden ben met de neus die ik heb, maar vooral omdat ik mezelf niet wil verloochenen. Ik vertrouw erop dat ik met mijn eigen, echte competenties heus wel een job zal vinden. Als werkloze heb je net zoveel recht om binnen te gaan staan, ook al voel je je buitengesloten.

Als ik nu eens zeg dat ik het voorbije jaar erg hard aan mezelf gewerkt heb en daardoor sterker in mijn schoenen sta… Of beweer dat ik altijd al een werkpaard was en dat waarschijnlijk ook zal blijven, maar mijn grenzen nu beter ken? En wat als ik stel dat ik werken met en voor mensen prachtig vind? Wat als ik simpelweg zeg dat ik graag wil werken, zoals zoveel anderen?

Dan spreek ik naar mijn waarheid…

Dus waarom zou ik liegen? Voor alle zaken die ik nog ga leren -ik geloof dat groeien een prachtig natuurlijk fenomeen is- beschik ik over voldoende leergierigheid en motivatie. Een werkgever hoeft niets te vrezen, ik haal er mijn neus niet voor op.

Al wat ik nog nodig heb is iemand die er ook in gelooft. Een fee die met haar toverstaf zwaait en zegt: “Je hebt nu laten zien wat je in je hebt, dat je een goede werker bent. Vandaag zal je dan ook een echte werknemer worden!”

Dus: weg lange neus, ezelsoren en lelijke dikke staart. Zonder heb je volgens mij een veel betere look voor een sollicitatiegesprek!

Ik heb jullie dinsdag al laten weten dat ik werkloos ben. En Frank Deboosere liet jullie waarschijnlijk vanochtend al weten dat het stralend weer wordt vandaag. Nu kun je daar als optimist aan toevoegen: “Gelukzak! Het is fantastisch goed weer, en jij kunt ervan genieten. Werkloos zijn heeft zo zijn voordelen!”

Dat is het goede scenario -ik zei toch dat ik mijn roze bril teruggevonden had. Een ander scenario, als jullie mij toestaan:

Het is stralend weer, ik ben werkloos en mijn schoonvader viert zijn verjaardag. De man is in zijn nopjes en geeft een barbecue. Hij nodigt een tiental mensen uit waaronder enkele voor mij onbekenden.

Gezellig. Mix and mingle. Ken je die typische vragen die wij mensen elkaar stellen wanneer we iemand nieuw leren kennen? Vooral volgende vraag is de lieveling van alle werkzoekenden onder ons: “Wat doe jij voor de kost?” Als je geluk hebt, heeft je gesprekspartner voldoende empathie of levenservaring en wenst hij je het beste in je zoektocht. Soms echter vraag je jezelf af waarom mensen zeggen dat eerlijkheid loont. Want jouw oprechte antwoord lijkt je gesprekspartner het gevoel te geven dat jij verantwoording moet afleggen voor al de werkloosheid in de wereld.

Maar eigenlijk maakt het niet uit hoe anderen op jouw situatie reageren. De grootste criticus, de strengste rechter, ben je zelf. Ik heb bijvoorbeeld nog niet één dag gedacht: “Hé, wat goed dat ik werkloos ben. Klop op de schouder en chillen maar.” Niks te chillen hoor. Je wilt werken, pas dan kan je zoals anderen genieten van weekends en vakanties. Wanneer je werkloos bent, is dit niet langer afgebakend en moet je zelf zorgen dat je dagen structuur krijgen. Je moet zelf zeggen: nu is het pauze. En geloof me, dat is moeilijk. Zeker wanneer je twijfelt of jij net zoveel rust verdient als ‘werkende mensen’. Want je werkt pas echt als het op papier staat en je er loon voor krijgt? Daar lijkt het wel op ja.

Wat je vaak hoort, is het volgende: “Er is werk genoeg! Als je echt wil werken, vind je een job.” Het is een statement dat haast niet te weerleggen valt als je in de databank van VDAB rondsnuffelt. Je opent de zoekpagina en ontdekt maar liefst 102 804 banen! Als je dan geen job vindt, heb je het zelf gezocht. Of ben je te kieskeurig? ‘Beggers can’t be choosers!’ Of ben je misschien gewoon lui?

Ik wil niet spreken voor mijn mede-werklozen, maar ik geloof niet in luiheid. Ik geloof in het leven, en dat dit niet vast omlijnd is. Ik geloof dat onze dromen en wensen onze valkuilen kunnen zijn. Ik geloof in keuzes, en de wil om ze te maken. Ik geloof niet dat werkloos zijn een keuze is, maar een situatie. Lui zijn we niet. Zijn we soms moe? Je durft het als werkloze amper toe te geven. Want je kent de blikken wel: “Waar ben jij dan moe van?” Maar kom, wij zijn dus soms ook moe. We worden moe van een afwijzing hier, het opnieuw en opnieuw opstellen van een motivatiebrief daar. En het telkens opnieuw aanpassen van je cv omdat je de gedachten probeert te lezen van werkgevers die je nooit ontmoet hebt. We worden met andere woorden zo moe, dat we gewoon willen werken. Lui? ‘C’est quoi ca?’

Alles heeft een begin. Zo had ik ooit ‘het begin’ als opvoedster. Ik had een frisse kijk op de zaken en was steeds klaar om ertegenaan te gaan. Vacature gevonden via de normale kanalen, aangenomen, job uitgevoerd en degelijk loon gekregen.

In de ideale wereld is er werk voor iedereen en is de werkinhoud afgestemd op ieders mogelijkheden. De ideale wereld is jammer genoeg gereduceerd tot een programma op tv. Het is nog niet de realiteit.

Ik ben een dromer en durf wel eens een onnozele roze bril opzetten en daar net iets te nauw door kijken. Jammer genoeg is die bril stilaan van mijn neus afgegleden, toch wat de arbeidsmarkt betreft.

Ik voelde me opvoedster in hart en nieren. Ik ontmoette prachtige mensen, zowel collega’s als de mensen die een hulpvraag stelden. Ik leerde enorm veel bij en af en toe ervaarde ik zelfs het gevoel dat ik daadwerkelijk iets te bieden had. Het was helemaal iets voor mij.

Dacht ik.

Maar wat als lijf en vooral hoofd plots moe lijken? Wat als je ‘drive’ achteruit gaat? Ik was erover uitgepraat. Ik had geen fut meer. De wil was er nog wel dus bleef ik nog even doorgaan.

En dan was het op. Opgebrand. Burned out. Burn-out. Ooit al gehoord van een straatje zonder eind? Ja, ik ook. Maar ik leek in een stad met eindeloze straatjes beland. Wanneer ik dacht dat het einde in zicht was en de moed dat het snel zou beteren de kop op stak, was daar plots een kronkel in de weg. Die leidde naar een nieuwe eindeloze weg. En maar één woord dook telkens terug op in gesprekken, gedachten en rusteloze nachten: moe.

Burn-out is eigenlijk een klein beestje dat al je energie opknabbelt om dan met gevulde buik op je hart te drukken. Want het doet best pijn, beseffen dat je faalt.

In elk geval zat er maar één ding op. Ik moest een streep trekken onder mijn dierbare job en toegeven dat ik er niets meer uit kon halen. Het zat er gewoon niet meer in. Ik zou ergens anders opnieuw moeten beginnen.

Wist ik veel hoeveel werk er nog voor de boeg was voor er nog maar sprake kon zijn van een nieuwe job. En wist ik veel dat het werk voornamelijk bij mezelf lag. In plaats van met de voetjes in de lucht rust te vinden, zat ik met de voetjes de grond af te tasten in de hoop mijn roze bril terug te vinden.

Hallo iedereen, ik ben Saskia en ben sinds een jaar werkloos… Maar mijn roze bril, die heb ik terug op zak.