U bent hier

Dit is een artikel uit het MagEzine-archief.

De mening van Martin: kranige oudjes

In het verleden heb ik het er al meer dan eens over gehad en ik had me voorgenomen er de eerstkomende maanden over te zwijgen, maar de even ontnuchterende als veelzeggende column Het oude continent: wijs en grijs? van Fons Leroy, gedelegeerd bestuurder van de VDAB (en zelf in het bezit van een indrukwekkende grijze haardos), heeft er anders over beslist. Ons land vergrijst aan een zodanig hoog tempo dat er straks méér mensen van de werkvloer verdwijnen dan er op natuurlijke wijze bij komen.

Zowat heel Europa schreeuwt al enkele decennia dat er dringend iets moet gebeuren om ervoor te zorgen dat onze bedrijven straks niet in de problemen komen, maar een groot deel van diezelfde bedrijven blijft afkerig tegenover het aannemen van veertig- en vijftigplussers. Te duur, te weinig flexibel, last van tunnelvisie, niet gedreven genoeg, te zeer verwend. En ga zo maar door. Ik hoor dat soort opmerkingen al langer dan me lief is, van werkgevers én werkzoekenden.

Zo ken ik in mijn directe omgeving heel wat bijzonder talentvolle mensen die in mijn ogen stuk voor stuk een meerwaarde –mijn excuses voor dit managersjargon– kunnen betekenen voor heel wat bedrijven, maar wier cv wegens hun leeftijd niet eens meer wordt bekeken. Want ze zijn 68, 69 en in sommige gevallen zelfs 72 jaar. 'Kranig', hoor ik dergelijke mensen wel eens noemen, doorgaans in combinatie met het epitheton 'oudje'. Maar, en dat weten veel te veel rekruteerders niet omdat ze deze oudere werkzoekenden nooit zullen uitnodigen voor een gesprek, die kranige oudjes hebben behalve een halve bibliotheek aan kennis en ervaring ook dynamiek en enthousiasme te bieden.

Neem nu mijn moeder. Op 30 maart jongstleden werd ze 80. Tachtig. Ze vierde die verjaardag niet thuis, maar bij haar zus in het diepe zuiden van Italië. Daar was ze met het vliegtuig naartoe gereisd, compleet met een overstap in Rome en een autorit van anderhalf uur naar haar eindbestemming. Ze reisde alleen, 'trok haar plan' en maakte er een uiterst actieve vakantie van. Bedrijvig, bezig, tegelijk gast en gastvrouw. Zoals ze al heel haar leven actief is.

Mijn moeder werkte haar hele carrière lang in de horeca, niet meteen de minst arbeidsintensieve sector. Ze begon ooit als leerling-serveerster en eindigde veertig jaar later als verantwoordelijke van het bedienend personeel in een hotel. Toen ze op een bepaald moment met pensioen 'moest', bleef ze in touw als vrijwilligster en hielp ze anderen die soms jonger waren dan zijzelf. Haar boodschappen doet ze bij voorkeur nog steeds met de fiets, en als ze tien minuten stil moet zitten wordt ze ongedurig. Want niet bezig zijn, is niet leven. Dat is de even simpele als allesomvattende arbeidersmoraal waarmee ze als klein meisje is opgevoed.

Ook op haar tachtigste zou mijn moeder nog een aanwinst zijn voor menig restaurant of hotel. Misschien niet door acht uur lang op haar voeten te staan en klanten te bedienen, maar door jongere generaties op te leiden, te coachen, te wijzen op kleine onvolkomenheden die het verschil maken tussen middelmaat en klasse. Kortom, door haar kennis met anderen te delen. (Al hoop ik dat ze de komende jaren vooral zal kunnen genieten van een heerlijk dolce far niente.)

Wellicht had Fons Leroy zoiets in zijn achterhoofd toen hij schreef dat het bedrijfsleven behoefte heeft aan 'een vloot met dappere kapiteins aan het roer die hun nek durven uitsteken om de competenties van de oudere matrozen in weer en wind te prijzen'. Mijn moeder is het alvast volmondig met hem eens.

 

Martin Overheul

Gepubliceerd in